






NIEUWS VAN
ISEC
AMINET: introductie van een nieuwe naam voor een mutatie
bij de putter
door Berend Bosch
Voorwoord
Het is april 2002 als ik van de hand van putterkweker,
wijlen Rien Pieters, een concept artikel in handen krijg
met het verzoek op dit concept te reageren. Het artikel
draagt de naam “What’s
in a name”.
In dit artikel, dat in juli
Nu, zes jaar verder, is ISEC, de internationale
werkgroep waarin speciaalclubs en bonden voor Europese
Cultuurvogels samenwerken, een begrip. Steeds weer komt
tijdens bijeenkomsten de puttermutatie aganet,
aan de orde. Op de een of andere manier ontstaat over de
werking en vererving van deze mutatie geen consensus.
Ook toen eind 2006, tijdens de jaarlijkse show van de
SEC, DNA-onderzoek werd gedaan naar het geslacht van een
aganet putter en de uitkomst het bestaan van aganet
poppen bevestigde, bleek er onvoldoende draagvlak voor
acceptatie van de naam aganet.
Na een volgende bijeenkomst van de ISEC besluit Jos
Dircks, lid van de werkgroep ISEC, begin maart 2008 aan
Inte Onsman en ondergetekende opnieuw een aantal vragen
te stellen met het doel een definitief advies aan de
ISEC te kunnen geven. Uit het feit dat kweekuitkomsten,
DNA-geslachtsonderzoek, mondelinge en andersoortige
communicatie niet hebben geleid tot eenduidige
acceptatie, is voorzichtig geconcludeerd dat onvoldoende
kennis van vererving en werking van mutaties bij kwekers
en keurders hier debet aan zou kunnen zijn. Na intensief
overleg is besloten het voor u liggende artikel samen te
stellen om daarmee te komen tot een complete uitleg van
de werking en vererving van de betreffende putter
mutatie. Tevens is in dit artikel gebruik gemaakt van
inzichten die sinds 2002 verkregen zijn m.b.t. de
naamgeving van mutaties.
Tot op dit moment worden door liefhebbers, bonden en
kwekers de volgende benaming voor deze mutatie gebruikt:
Eumo /
Aganet / Aganet (nieuwe mutatie) en in het verleden ook
nog Agat Izabell Rücken (in Duitsland) en soms cinnamon.
In dit artikel zal echter de naam “Aminet” aan de
mutatie worden verbonden. In de loop van het verhaal
zullen de argumenten duidelijk worden.
Omdat de mutaties Agaat en Aminet maar een gering
verschil in pigment tonen is het bijzonder moeilijk om
middels microscopisch veeronderzoek een definitief
resultaat te tonen, waarin het expliciete
verschil tussen deze mutaties wordt weergegeven. Wel is
het zo dat
een vergelijkende werking overeenkomstig de agaat en
satinet mutatie wordt waargenomen en is er vast te
stellen dat het een mutatie reeks betreft.
De werking van een MM-reeks in het algemeen
De werking van een Meervoudige Mutatie reeks in het
algemeen volgt hieronder aan de hand van een
aantal afbeeldingen.
Bij fig. 1:
Wanneer veren bij ongemuteerde vogels van kleurstof
worden voorzien kan dit vergeleken worden met
het vullen van een emmer gedurende een bepaalde
tijd. De tijd dat de kraan open staat is voor iedere
veer precies gelijk. Omdat de kraan normaal gesproken
geheel open staat komt in iedere emmer evenveel
kleurstof. Bij de wildvorm zal iedere veer van een vogel
dus (nagenoeg) precies evenveel pigment bevatten en
herkennen we dit als een kleur van de wildvorm putter,
kanarie, mus of grasparkiet.
Bij fig. 2:
Bij de wildvorm staat de kraan waaruit de kleurstof komt
altijd geheel open gedurende de tijd dat de emmer gevuld
wordt. Door een mutatie blijkt nu de kraan niet meer
volledig open te staan tijdens het vullen van de emmer.
In de tijd dat de kraan voor iedere emmer openstaat,
blijkt door deze mutatie nog maar 60% van de kleurstof
te worden afgegeven. Iedere veer bevat dan ook nog
slechts 60 procent kleurstof ten opzichte van de
wildvorm. De mutatie noemen we mutatie
Bij fig. 3: Bij een wildvorm staat de kraan altijd volledig open en bij mutatie 1, 2 en 3 is steeds iets minder in het erfelijk bezit van de vogel vastgelegd. De dragers van dit erfelijk bezit zijn de genen op de chromosomen. Voor het gemak zullen we het gen dat het openstaan van de kraan regelt het “kraangen“ noemen. In figuur 3 is het chromosoom weergegeven en de genen daarop door allerlei kleurige blokjes. Het “kraangen” wordt weergegeven door een donkerblauw blokje. Alle vogels waarbij de kraan volledig open staat en dus van het type wildvorm zijn, hebben zo’n donkerblauw gen. Bezit een vogel mutatie 1 (kraan 60% open) dan is het gen tot helder blauw gereduceerd. Bezit een vogel mutatie 2 (kraan 30% open) dan is het gen nog slechts bleekblauw en bezit een vogel mutatie 3 (kraan 1 % open) dan is het gen nagenoeg wit.
Bij fig. 4:
In de praktijk blijkt dat mutaties die gelegen zijn op
één en het zelfde gen-locus en invloed hebben op
hetzelfde aspect (in ons geval het volledig of deels
openstaan van de kraan) ten opzicht van elkaar een
dominantie vertonen. In ons geval kan gesteld worden:
hoe donkerder de kleur van het gen hoe dominanter zijn
werking. De verschillende mutaties die op het zelfde
gen-locus liggen en invloed hebben op hetzelfde aspect
van de werking van het gen, noemt men een Meervoudige
of MM–reeks.
De onderlinge dominantie noemt men de
(co-)dominantie volgorde. In het voorbeeld is deze
volgorde: wildvorm - mutatie 1 - mutatie 2 – mutatie 3.
Bij de meeste vogelsoorten (met als duidelijk voorbeeld
de roodrugparkiet) is deze dominantie volgorde niet
absoluut. Vogels die in het bezit zijn van twee
verschillende allelen van de mutatiereeks
laten een
kleurafwijking zien waardoor het aanwezig zijn
van de allele met de tweede mutatie verraden wordt. Dus
de dominantie tussen mutatie 1 en 2 is niet absoluut.
Dit wordt co-dominant genoemd. Bij de roodrug parkiet
liggen de mutaties 1 en 2 relatief ver uit elkaar en
zijn deze te vergelijken met de respectievelijk
gebruikte 60% en 30% reductie waardoor een zichtbare
kleurreductie optreedt.
Bij de putter die in het bezit is van twee verschillende
allelen van de mutatiereeks, is nauwelijks een
kleurafwijking te zien ten opzichte van een
putter met twee
agaat allelen. Wanneer gekeken wordt naar de
reductie van de agaat en aminet mutatie is reductie
verhouding i.p.v. 60%-30% (zoals bij
het roodrug parkiet voorbeeld) nu maar 60%-50%,
waardoor er nauwelijks of
geen verschil is in kleur tussen een putter met
twee agaat allelen en een putter met een agaat en een
aminet allele.
Bij fig. 5:
in de praktijk kunnen mm-reeksen liggen op alle
chromosomen, dus op de autosomale chromosomen die bij
mannen en poppen gelijk zijn en, zoals in ons voorbeeld,
op het geslachtschromosoom, dat onderscheid maakt tussen
een vogel van het mannelijk of vrouwelijk geslacht. Een
man heeft twee X-chromosomen *). Op beide chromosomen is
het “kraangen” gelegen.
Dit wil zeggen dat voor het ontstaan van de
mutaties van een wildvorm vogel op beide chromosomen het
ongemuteerde, donkerblauwe “kraangen” ligt. De man wordt
weergegeven in de bovenste regel van figuur 5. Uiterlijk
is deze vogel dus wildkleur en zuiver van vererving van
het “kraangen”. Men noemt dit homozygoot. Na het
ontstaan van de verschillende mutaties kan bij mannen
het “kraangen” op de chromosomen dus ook verschillend
van samenstelling zijn. De man op de tweede regel heeft
één wildvorm gen (donkerblauw) en één allele, genaamd
mutatie 1 (helder blauw.) Omdat de wildvorm dominant is
boven mutatie 1 zal de vogel dus uiterlijk wildvorm
zijn, maar ook de mutatie 1 allele draagt wat bij zodat
dit bij verdere kweek ook overgedragen kan worden aan de
jongen. Alle verschillende mannelijke samenstellingen
van het geslachtschromosomenpaar zijn in de figuur
weergegeven en er blijken tien verschillende types te
bestaan wat betreft de erfelijke aanleg. Uiterlijk
blijken de vogels echter slechts uit vier types te
bestaan (wildvorm, mutatie 1, mutatie 2, mutatie 3).
Deze informatie is voor dit moment voldoende.
Verderop komen we nog een keer terug op de uiterlijke
kleur van de
heterozygote types.
*) In dit artikel wordt
het geslachtschromosomenpaar omwille van de
leesbaarheid X- en Y-chromosoom genoemd. Deze benaming
is echter niet juist en moet respectievelijk Z- en
W-chromosoom zijn. Voor het laatste hebben we in dit
artikel niet gekozen; het zou de leesbaarheid als gevolg
van de decennia lange gewenning aan het X- en Y-
chromosoom onnodig storen en het begrijpen van dit
artikel moeilijker maken. Het is echter belangrijk en
aan te raden om kennis te
nemen van
http://www.mutavi.info/barr.htm
of van het artikel in “Onze vogels” 2007 pag. 413 waar
voor het Z- en W-chromosoom gekozen is.
Bij fig. 6:
Omdat een pop slechts één X-chromosoom en één
Y-chromosoom heeft, is het aantal poptypes beperkt tot
vier.
De pop toont bij een geslachtsgebonden recessieve
vererving immers direct de informatie die op het
X-chromosoom aanwezig is.
De werking van de agaat -
aminet
- satinet
mutatiereeks bij de putter
Nu de basis van de werking van een MM-reeks duidelijk
is, is het goed een ander aspect te bespreken dat
bijdraagt tot een beter begrip van de mutatie reeks
agaat – aminet - satinet. De vraag die we ons moeten
stellen is hoe de werking van deze meervoudige
mutatiereeks de pigmentatie van de bevedering
beïnvloedt.
De mutatiereeks is gelegen op het geslachtsgebonden
ino-locus. Bij een ongemuteerde vogel is de melanocyt
(de producent van pigment) die in de veerfollikel
aanwezig is, normaal functionerend. Het gevolg is dat de
pigmentsynthese een normale hoeveelheid melanine pigment
in de bevedering kan afzetten. Door een mutatie van het
geslachtsgebonden ino-gen wordt de aanmaak van matrixen
en het transport van tyrosinase in de melanocyt
verstoord. Het gevolg is dat deze matrixen minder groot
en minder talrijk zijn. Deze te kleine en minder
talrijke matrixen kunnen onvoldoende tyrosinase opnemen
om zodoende een normaal gekleurde veer te ontwikkelen.
Wanneer nu de mutatie die de ontwikkeling van matrixen
en het tyrosinasetransport verstoort, wordt vergeleken
met de werking die verantwoordelijk is voor het “kraangen”,
is de mindere kleuring door deze mutatiereeks
inzichtelijk. De mutatie reeks agaat – aminet
- satinet kan vergeleken worden met de mutaties
1, 2 en 3 van het “kraangen”.
We moeten dit echter nader nuanceren. De putter (en
daarmee de vinkachtigen en ook kanaries en nog vele
andere soorten vogels) maken meerdere soorten pigment
aan. Bij de putter onderscheiden we het zwarte
eumelanine, het bruine eumelanine (dat bestaat uit
onvolledig gekleurde eumelanine) en het korrelvormige
phaeomelanine. Al deze types pigment worden afgezet in
de veer en zijn afkomstig uit dezelfde melanocyt. In de
praktijk blijkt dat de invloed van de mutatie reeks
agaat – aminet – satinet op de drie types pigment
verschillend is.
·
De agaat.
Dit
is de mutatie waar de verkleining van de melanosomale
matrix het geringst is. Hierbij wordt de hoeveelheid
eumelanine die in de veer wordt afgezet
nauwelijks gereduceerd maar het phaeomelanine in
substantiële mate wel. De hoeveelheid bruine eumelanine
blijft nagenoeg onaangetast.
·
De aminet.
Dit is
de mutatie waar de verkleining van de melanosomale
matrix al verder gaat. Het zorgt ervoor dat er een
beperkte reductie van de hoeveelheid zwart eumelanine
ontstaat. De hoeveelheid phaeomelanine is nagenoeg
geheel gereduceerd. De hoeveelheid bruine eumelanine
blijft nagenoeg onaangetast.
·
De satinet.
Deze mutatie van het geslachtsgebonden ino gen zorgt
voor een nagenoeg gehele reductie van de hoeveelheid
zwart eumelanine en phaeomelanine die in de veer wordt
afgezet
terwijl ook nu de hoeveelheid bruine eumelanine nagenoeg
overeenkomt met de wildvorm.
Mutaties van het geslachtsgebonden ino-locus komen niet
alleen bij Putters voor
Bij fig. 7:
De meervoudige mutatiereeks van het geslachtsgebonden
ino–locus komt niet alleen bij putters voor maar ook bij
een groot aantal kromsnavel soorten wordt deze
mutatiereeks herkend.
De valkparkiet, roodrug parkiet en grasparkiet zijn hier
voorbeelden van. Bij de kromsnavels worden de
respectievelijke mutaties pallid, platinum en ino
genoemd. Bij de zebravink bleekrug en masker wordt
momenteel experimenteel met een kleurafwijkende mutatie
gekweekt die mogelijk de overeenkomstige ino mutatie
vertegenwoordigt. Ook is sinds twee jaar de MM-reeks bij
het zilverbekje bekend onder de naam bleekrug en ino.
De naam Aminet
Omdat het verstandig is ook internationaal de naamgeving
van mutaties zo eenduidig mogelijk te maken, is het goed
een vergelijking van de naamgeving bij de kromsnavels
uit te voeren. In dit verband moeten we terug naar de
verschillende type mannen.
In de praktijk blijkt dat, indien een man op beide
X-chromosomen een gemuteerd ino-allele draagt, dit van
invloed op de kleur is.
De mannen 5 – 6 en 7 zijn uiterlijk allemaal agaat putter. Man 5 is een zuiver gekleurde agaat, man 6 en 7 zijn fractioneel lichter gekeurd door de invloed van respectievelijke aminet en satinet allelen. Bij veel van deze vogels is dit nauwelijks of niet waarneembaar.
Ditzelfde geldt voor de mannen 8 en 9: dit zijn
uiterlijk aminet putters, echter man 9 draagt op één
x-chromosoom de satinet allele en is daardoor een
fractie lichter.Mogelijk
ten overvloede is te vermelden dat dit kleurverschil bij
poppen niet voorkomt daar een pop slechts één
X-chromosoom bezit en dus alleen zuiver agaat,
aminet of satinet kan zijn.
Bij de kromsnavels doet zich ditzelfde fenomeen voor.
Een goed voorbeeld hierbij is de roodrug parkiet.
Wanneer een roodrug man op één X-chromosoom de pallid
allele draagt en op het andere de ino allele, dan is de
kleurreductie ten opzichte van een man met twee pallid
allelen (zoals eerder in dit artikel verklaard) goed
herkenbaar. Dit heeft er toe geleid dat men deze man de
naam PallidIno heeft gegeven. Bij de
meeste vogelbonden zijn deze vogels niet opgenomen in
het vraagprogramma maar voor de kwekers is hiermee de
vogel wel volledig duidelijk te benoemen.
Terug naar de putter. Toen Rien Pieters in 2002 het
artikel “What’s
in a name” voorbereidde, kwam hij op voordracht van
Inte Onsman tot de naam aganet. Achteraf blijkt dat Rien
en Inte elkaar niet volledig hebben begrepen. Inte ging
uit van het feit dat Rien een putter bedoelde die op één
allele agaat en op het andere satinet was. Het voorstel
van Inte was deze vogel AgaNet (als een
verkorting van AgaatsatiNet) te noemen en
dat sloot aan bij de PallidIno benaming.
In het artikel liet Rien de hoofdletters weg en
gebruikte de naam aganet voor de mutatie, hoewel
liefhebbers nog twijfelden aan de vererving zoals Rien
deze achteraf volkomen correct had uitgewerkt. Sinds
2002 is echter langzaam maar zeker duidelijk geworden
dat de door Rien in zijn artikel beschreven vogel wel
degelijk een zuivere mutant is van het geslachtsgebonden
ino-locus. Het gevolg is dat de naam aganet eigenlijk
niet meer passend is en ook niet door alle aangesloten
verenigingen en bonden van de ISEC wordt geaccepteerd.
Reeds in 2006 is de naam aminet aan de orde geweest en
dat blijkt achteraf opnieuw een goed alternatief voor
aganet te zijn.
Wanneer men een naam kiest is het (i.c. de vinkachtige
Europese Cultuurvogels) een goede zaak te blijven
aansluiten bij de kanarie, echter daar is de 3de
mutatie op het geslachtsgebonden ino gen nog niet
ontstaan.
Bij de kanarie koos men in het verleden voor namen van
(half)edelstenen, zoals opaal, agaat, topaas of mutatie
verklarende namen (bruin, eumo, phaeo).
Bij de zebravink heeft men vaak gekozen voor
kleurbeschrijvende namen (bleekrug, masker).
Bij de parkiet zoekt men tegenwoordig veel in universele
namen.
Nu de keus voor
aminet. We moeten proberen een verwarrende naam te
voorkomen. AgaNet wordt ook bij kanarie mannen inmiddels
wel gebruikt voor de vogel die op één X-chromosoom agaat
heeft en op het andere X-chromosoom de satinet allele).
Wij kennen geen edelsteen die op de mutatie lijkt. Wij
zijn nauwelijks in staat om de mutatie te omschrijven in
een naam. Het beste wat we kunnen bedenken is
"bleekagaat". Echter zit hier een addertje onder het
gras. Aganet doet mensen denken aan een split vogel en
dan zullen bij deze zelfde mensen de naam bleekagaat
doen denken aan een lichte agaat. En ook dit willen we
eigenlijk niet, want dan schrijft men een fletse agaat
voor een tentoonstelling in als bleekagaat en begrijpt
men door deze verwarring dan ook de kweekuitkomsten niet
meer. Wat mij betreft is bleekagaat dus geen juiste
keuze.
We kunnen er dus beter voor kiezen om het te zoeken in ander associaties. We denken de link te vinden in het feit dat er iets moet zijn wat tussen agaat en satinet ligt qua verklaring. Volgens ons was de poging die Inte Onsman ooit ondernam met de naam aganet overeenkomstig deze onderbouwing. Ware het niet dat hier de eerder aangehaalde vogel met een agaat allele en een satinet allele wordt bedoeld.
Dan blijven er nog wel wat mogelijkheden over:
bleganet > voor een bleke vorm
tussen agaat en satinet
multiganet > voor een multi (veelfout)
in de mutatiereeks agaat en satinet
muganet >
idem, als 2
miganet > als
een afgeleide van de vorige
Maar eigenlijk voelt dit allemaal wat kunstmatig aan.
Er is echter nog wel een andere naam die mij aanspreekt
(zie hieronder), om de volgende redenen:
* het "bekt" lekker
* het heeft wel iets wat lijkt op agaat en satinet
* we kunnen het verklaren als in het midden van agaat
en satinet
* het roept geen verwarring op richting
splitvogels
* het maakt de mutatie eenduidig
* het heeft stiekem wel iets weg van een
edelsteenachtige naam, dus past hij wel in de
kanariereeks.
Ergo wat ons betreft noemen wij de mutatie
"AMINET": A van Agaat,
MI van Midden tussen
en Net van Satinet.
Nadat de keuze voor aminet helder is kan ook de
schrijfwijze voor de mutatiereeks worden vastgelegd.
Wildvorm
ino + / ino +
Satinet
ino / ino
Agaat
ino ag / ino ag
Aminet
ino am / ino am
Een voorbeeld van een paring in de geslachtsgebonden ino
reeks
Samenvatting
Bij de putter blijkt eind negentiger jaren van de vorige
eeuw een mutatie te zijn ontstaan die eerst
onder meer de namen eumo en aganet kreeg. Deze
naamgeving blijkt wat betreft eumo met zekerheid fout te
zijn. De eumo mutatie vererft autosomaal en recessief
bij de vinkachtigen en de nieuwe putter mutatie vererft
geslachtsgebonden recessief. De nieuwe mutant blijkt een
meervoudige mutatiereeks met de agaat en satinet factor
te vormen. De mutant die Aminet wordt genoemd is
daarmee een mutatie van het geslachtsgebonden ino-locus.
De naam aganet is niet geheel juist omdat dit een
mannelijk exemplaar verwoordt dat op één X-chromosoom
een agaat allele en op het tweede X- chromosoom een
satinet allele bezit. Voor de naam aganet wordt gekozen
omdat er bij de vinkachtigen, waartoe ook de kanarie
behoort, nog niet eerder een derde mutatie van het
geslachtsgebonden ino-locus is opgetreden. De naam
aminet staat voor A van Agaat, MI
van Midden tussen en NET
van Satinet.
Tot slotte wil ik de heren Jos Dirks en Inte Onsman
danken voor de discussie die wij hebben mogen voeren om
tot de juiste uitleg van de mutatie te komen. Zo konden
wij dit artikel samenstellen wat liefhebbers en
keurmeesters van de verschillende bij de ISEC
aangesloten bonden en verenigingen, ondersteuning mag
bieden bij kweek, show en keuren van deze mooie Aminet
puttermutatie.
Nijmegen, 12 juni 2008
Nawoord
Frans Pijnen,
namens ISEC:
Tijdens de vergadering van ISEC op zondag 30 november
2008 hebben de aanwezige vertegenwoordigers van NBvV,
SEC, BEC, ANBvV., KBOF/WEV en DKB unaniem ingestemd met
de onderbouwing van de naam Aminet op basis van dit
hoogwaardig artikel, waarvoor ISEC veel waardering
heeft. De naam Aminet is nu een feit.







![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |