DE  FRATER  (Carduelis flavirostris)

 

Uit: “Europese vogels kweken en tentoonstellen” door Alois van Mingeroet

 

De frater – ook wel steenkneuter genoemd – heeft zijn broedgebieden in Noorwegen, Finland, Ierland, Groot-Brittannië. In zijn broedgebied vindt hij zijn biotoop in gebieden met laag struikgewas. Het nest wordt dan ook laag bij de grond en zelfs op de grond gebouwd. Het nestmateriaal bestaat uit fijne grashalmen, mos en dierenhaar. Donspluimpjes en spinrag worden gebruikt voor de binnenbekleding.

De blauwgroene eitjes met bruine stippen worden alleen door de pop bebroed. Gewoonlijk bestaat het legsel uit 5 tot 6 eitjes die na 13 dagen uitkomen.

Als de jongen er zijn blijkt de man een voorbeeldige vader. De jongen worden gevoed met kleine insecten en allerlei zaadsoorten. In de natuur is er over het algemeen slechts één broedsel.

In zijn natuurlijke biotoop trekt de frater pas weg wanneer het overvloedig begint te sneeuwen. Hierbij wordt de kustlijn gevolgd en komt het voor dat de vogel in de winterperiode ook in België en Nederland een gast is. Ze blijven evenwel in en rond de duinen overwinteren; slechts hoogst zelden worden ze in het binnenland waargenomen.

Voor een leek kan de frater wel voor verwarring zorgen met de nauw verwante kneu. Als de karakteristieke eigenschappen van de frater op een rijtje gezet worden heeft u er echter nooit meer problemen mee:

belangrijk en onmiskenbaar is het korte fijne gele snaveltje met zwart puntje;

fijne zwartbruine pootjes;

een warmbruine grondkleur;

een zwartbruine bestreping op rug, vleugels, borst en flanken;

een witte omzoming in de slagpennen die bij de pop over het algemeen iets fletser van kleur is;

de man heeft een karmijnrode stuit die de pop mist;

de zang van de frater is veel minder ontwikkeld dan die van de kneu.

 

Volièrekweek
Als ideale kweekvolière voor de frater geldt dezelfde maat die beschreven is als bij de kneu. Ook is de vogel best te kweken in een ruime broedkooi; maak deze kooi echter nooit te klein daar de frater dan te vet wordt wat kweek uitsluit.

Plaats op verschillende hoogten in de volière nestgelegenheid. Een beetje hulp in de vorm van metalen nestkorfjes met een beetje kokosvezel erin kan de frater best gebruiken. Als nestmateriaal maakt hij graag gebruik van fijn gedroogd gras, mos, kokosvezel, paardenhaar, sisal en jute. Let erop dat dit materiaal nooit langer is dan 5 cm.; dit voorkomt ongelukken. Qua binnenbekleding gebruikt de frater graag pluisjes van de paardebloem, spinrag en donsveertjes. 

Wanneer de pop broedt doet u er goed aan de man in het oog te houden. Het kan gebeuren dat hij agressief wordt en het nest verstoort. In dit geval is het beter hem uit te vangen en in de nabijheid van de kweekvlucht te plaatsen. Zijn de jongen enkele dagen oud, dan kunt u hem terugplaatsen. Meestal zal hij de pop meehelpen bij het voeren van de jongen. Blijf aandachtig en kijk naar de houding van de man; een gewaarschuwd mens telt voor twee. 

Zijn de ouders gewend geraakt aan eivoer dan zullen ze dit probleemloos aan de jongen voeren. Een grote variatie aan insecten is verder aangewezen. Zo zijn er pinkies, buffalo- en meelwormen en miereneieren. Op groene bladluizen zijn ze verzot. Ook onkruiden zijn een welkom voedsel voor de opfok. Er is keuze genoeg: vogelmuur, straatgras, herderstasje, paardebloem, melkdistel, perzikkruid, zuring, teunisbloem, varkensgras, enz. 

Als tentoonstellingsvogel
Met het oog op de tentoonstelling moet de frater met de hand worden groot gebracht. Zijn zenuwachtige aard zal anders aan de basis liggen van beschadigde slag- en staartpennen.

Verder is badwater of een regelmatige spuitbeurt noodzakelijk. Het voorkomt losse flanken en hoorntjes