



.jpg)
.jpg)
DE
HAAKBEK
door
Jeu Smeets
De zeer zeldzame haakbek is met
zijn lengte van 21 -
Een opmerkelijk feit is dat, net als bij de kruisbekken,
het roze/rood van de mannen bij de poppen is vervangen
door geel/groen.
Het broedgebied (donkergrijs) en het overwinteringsgebied (lichtgrijs) van de haakbek in Europa is op bijgaande kaart te zien. Echter ook in ons land is hij meermaals als wintergast waargenomen, al zijn de voorwaarden voor de omstandigheden niet helemaal duidelijk. Het broedgebied strekt zich (ook) uit over Siberië tot het hoge noorden van Amerika. Mogelijk is het gebied van de Beringzee met zijn vele eilanden een springplank geweest voor Amerika, óf is de soort ontstaan in Amerika en zijn de vogels via diezelfde weg naar Siberië en noord Europa gekomen. In mijn zoektocht naar wetenswaardigheden kwam ik een mooie beschrijving tegen uit het noorden van de staat Illinois (V.S.), waar ze ook vaak in de winter aanwezig zijn om in het vroege voorjaar weer de Arctische gebieden op te zoeken. Zonder bekende oorzaak zijn ze daar echter ook vele winters afwezig. Wáár verblijven ze dan??
In deze meldingen komen weer andere
zaken naar voren dan in Europese publicaties. Iedereen
is het er wel over eens dat deze vogels, doordat ze de
mensen niet kennen, niet schuw zijn. Ze hebben een
duidelijke voorliefde voor tuinen met veel naaldbomen.
De bes van de cederboom en zaden van de diverse bomen en
dennen vormen hun hoofdvoedsel. Een opmerkelijk
feit komt zondermeer bovendrijven. Zo is in de
omschrijving te lezen dat gevangen haakbekken in de
zomer bij hogere temperaturen echt sloom worden en zich
niet laten horen. Pas bij het aanbreken van een koudere
periode komt de aangeboren levendigheid weer terug. Het
is dus duidelijk dat ze altijd een winterjas dragen. Het
is ook duidelijk dat de vogels trekken, niet omdat ze
het koud hebben, maar omdat het voedsel onder de
winterse omstandigheden niet bereikbaar is. Verder
roemen de Amerikanen “deze
statige vogel wiens rood zo mooi afsteekt tegen de
donkergroene
bomen”. Overigens is de populatie haakbekken in
noord Amerika (Alaska en Noord Canada ) veel dichter dan
in Noord Europa. Opmerkelijk is verder dat haakbekken,
evenals veel andere vogels uit Arctische gebieden, niet
schuw zijn voor mensen, waarschijnlijk omdat ze hen niet
als gevaar kennen. Het hoofdvoedsel van de haakbek
bestaat uit rijpe en halfrijpe zaden, diverse
bessensoorten, alsook jong groen van de bomen en diverse
bladknoppen. Als dierlijke kost zoeken ze spinnen,
diverse insecten en hun larven en kleine slakken.
Het leefgebied van deze vogels is in de meest noordelijke naaldbossen in halftoendra’s. In gemixte bossen zullen ze zelden te vinden zijn. De voortplanting vindt plaats van eind mei tot midden juni waarbij ze slechts een broedsel per jaar kennen. Als nestmateriaal wordt van alles gebruikt: kleine takjes, grasresten, mossen en dierharen als dat voorhanden is. De 3–4 blauw/groene eieren, met roestbruine vlekjes en puntjes, worden in 13-14 dagen uitgebroed, waarna de jongen na 14 dagen al het nest verlaten. Het popje bouwt en broedt alleen, waarna beide vogels de verzorging van de jongen op zich nemen en die zijn met 30 dagen volledig zelfstandig. De jongen hebben tot aan de jeugdrui de groengele kleur van de pop.
De haakbek is verder een sterke en
vredelievende vogel die eigenlijk alleen in de broedtijd
zijn luide, melodieuze zang laat horen en buiten de
broedtijd slechts een zacht kwetterend
geluid produceert.
In gevangenschap levert de haakbek in de volière geen enkel probleem op voor zijn medebewoners. Hij is rustig en vertrouwelijk en wordt bij goede benadering zelfs snel handtam. Hoewel in de eerste kweekbeschrijving (die al uit 1907 stamt!) gewag gemaakt wordt van een kooi van 2 x 2 x 1 mtr. (hoogte, lengte, breedte), is het toch beter een vogel van dit formaat ruimer te huisvesten in een vrije vlucht volière, die rijkelijk beplant is met dennen en coniferen. Een afgeschermde volière waar de volle zomerhitte blijft hangen, moet absoluut vermeden worden en frisse lucht moet vrij spel hebben. Een vrije en open vlucht met een kleine schuilmogelijkheid stellen ze wel op prijs. Tenslotte moet er zomer en winter vers badwater beschikbaar zijn.
Als basisvoer is een goede mix van dennen en sparrenzaden geschikt, aangevuld met zonnepitten en boekweit. Als extra kan men hier nog wat hennep, lijnzaad, distelzaad, gepelde haver en millet toevoegen. Al naar gelang het jaargetijde kan men verschillende bessen, zoete appelen en wildzaad in diverse rijpheidstadia erbij geven. De haakbek eet verder graag jonge dennennaalden, frisse jonge uitlopers van loofbomen en de daarbij behorende bladknoppen. Voor het grootbrengen van de jongen zijn tevens meelwormen, mierenpoppen, pinky’s, bladluizen en weideplankton een noodzaak. Ook voert de vogel aan de jongen diverse kruidensoorten, paardenbloemen, zuring, teunisbloemen en bijvoet, in diverse rijpheidstadia. Tevens zijn er in een vrij vroeg stadium al lijster- en vuurdoornbessen te vinden. Grit, mineralen en maagkiezel is voor deze vogels onontbeerlijk.
Als nestgelegenheid voldoen
draadkorfjes met sisalvulling en gevlochten
bloemenmandjes prima. Toch zijn er popjes die van dat
alles geen gebruikmaken en van diverse materialen een
vrijstaand nest bouwen in een aanwezige kleine den of
conifeer.
In tegenstelling tot de Nederlandse bonden kent de Duitse vogelsportbond een kweekregistratie van bijzondere vogels. Hier zijn de laatste drie jaar uit negen kweekkoppels achtenveertig jonge vogels gemeld. Het opvallende hierbij is dat in 2007, met zijn zeer hete voorjaar, slechts één jonge vogel gemeld is. Wat heet last van hitte?
Haakbekken zijn licht gevoelig voor coccidiosis dat met bekende middelen goed bestreden kan worden.
De haakbek staat op de
TT-vraaglijsten van alle vogelsportbonden en moet
voorzien zijn van een
Latijn: Pinicola
enucleator (L) / Engels : Pine Grosbeak / Duits :
Hakengimpel






