




Uitgewerkt en aangepast: Jeu Smeets.
Foto’s: Jeu Smeets
Waar mensen wonen, wonen mussen
De eerste voorwaarde voor de
aanwezigheid van mussen, is de aanwezigheid van mensen.
Aldus
Vogelbescherming Nederland
in hun nieuwsbrief
van maart 2011 en zij
presenteren daarin een actieplan ten behoeve van de mus
Met de huismus gaat het
niet goed ( ik, Jeu, heb daar al eerder over bericht)
want in enkele tientallen jaren is het aantal broedparen
gehalveerd. Tot voor kort de meest algemene broedvogel
van Nederland staat nu op de befaamde rode lijst. De
onlangs gehouden vogeltelling heeft uitgewezen dat de
huismus nog altijd de meest waargenomen vogel in
Nederlandse tuinen is. Dat is ook voor een groot deel te
verklaren met de koptekst van dit artikel. Als we ons
realiseren dat we nu nog maar de helft van het aantal
mussen over hebben, wat voor een enorm aantal zijn we
dan kwijt?
En laten we wel zijn,
zonder deze rakkertjes zou onze vogelwereld een stuk
armer zijn.
Het is niet één reden
waarom de huismus zo in aantal achteruitgaat. Het is een
complex van factoren die allemaal een beetje hun eigen
rol spelen in dit mussendrama. Veel van die factoren
komen voort uit het feit dat
Nederland te netjes is
en daar staan weinigen bij stil in het belang van de
mussen.
Er zijn nog steeds kolonies van onze mus in de buurt van dierentuinen, maneges, kinderboerderijen, oudere gebouwen in de buurt van terrassen etc. Laat ons deze plaatsen in ere houden want bij een goed beleid kunnen andere populaties zich van daaruit herstellen. Huismussen zijn gebiedstrouw en verplaatsen zich maar weinig. Een geïsoleerde populatie van slechts tien paren is door inteelt, in de praktijk, niet levensvatbaar gebleken. Het is dus van belang dat mussenpopulaties niet verder uit elkaar liggen dan enkele honderden meters omdat de uitwisseling tussen de groepen van levensbelang is.
Een geschikt biotoop voor huismussen voldoet aan de
volgende eisen.
A)
Ruim voldoende
nestgelegenheid, holten in bebouwing, holle dakpannen,
mussenkasten.
B)
Voldoende voedselaanbod in
de buurt van dekkingsmogelijkheden als wintergroene
struiken, heggen, gevelbegroeiing enz.
C)
Voldoende inheems groen als
leveranciers van eiwitrijk voedsel voor de jongen. De
hier voorkomende insecten kennen exotisch groen niet als
voedselplant.
D)
Drinkwatervoorziening en
zandbaden.
E)
Deze voorzieningen moet men
op een
klein gebied realiseren
vanwege de beperkte reislust van onze mus.






