







Op een zinderend hete zomeravond begin juli (de
dagtemperatuur heeft vandaag haar maximum van 37 gr. C.
bereikt) wordt er door de vogelwerkgroep van het IVN in
Valkenswaard een nachtzwaluwwandeling georganiseerd. De
mussen vallen overdag spreekwoordelijk van het dak. En
’s avonds is de hitte nog helemaal niet verdwenen als we
om 21.30 uur bij elkaar komen. We gaan wandelen in het
Leenderbos, nabij de Achelse Kluis, een abdij op de
grens van Nederland en België. Deze Sint-Benedictusabdij
bestaat al sinds 1686, en het oorspronkelijke plan om
grootschalige landbouw toe te passen werd niet gehaald.
Daarom is in 1989 de landbouwgrond verkocht aan
natuurbeschermingsorganisaties. Het Leenderbos heeft een
totale oppervlakte van
De Europese nachtzwaluw is een echte bewoner van zand-
en stuifvlakten. Overdag rust hij en alleen `s nachts is
hij actief. Ondanks de invallende schemering, en onze
groep van ongeveer 20 personen, is de vogel regelmatig
goed te zien en te horen.
De nachtzwaluw zit graag op een dikke horizontale
boomtak en, doordat de vogel in de lengterichting van de
tak rust, valt zijn silhouet direct op. Als je eenmaal
weet hoe en waar te zoeken, is hij goed herkenbaar. In
totaal zijn er 92 soorten nachtzwaluwen, die allemaal
specifieke kenmerken van een nachtzwaluw hebben.
Zijn vlucht is zeer bijzonder te noemen. Langzaam, als
in slow motion, een beetje kwakkelend en fladderend als
een te grote vlinder, zwevend en zwenkend, geeft hij
niet echt het idee
gemakkelijk insecten te kunnen vangen. Toch leeft
de nachtzwaluw hiervan uitsluitend. Vaak mei- en
junikevers, maar ook veel nachtvlinders en motten.
Inderdaad niet de snelste insecten, maar de nachtzwaluw
is wel bedrieglijk efficiënt in zijn jacht.
Op de Leenderheide wordt intensief onderzoek gedaan door
SOVON, in samenwerking met de Vlinderstichting en de
universiteit van Nijmegen. Er worden nachtzwaluwen
gevangen in mistnetten en voorzien van een zendertje.
Vrijwilligers gaan `s avonds tussen 10.00 en 02.00 uur
de heide op om de plaats van de vogels te lokaliseren en
hun vliegpatroon te bestuderen.
Zo weet men dat er een paartje nachtzwaluwen is dat
hemelsbreed wel drie kilometer verwijderd van zijn nest
ging foerageren!
Het woord “nest” bij deze vogel is een overschatting. De
twee eieren, die in kleur kunnen variëren van wit tot
crèmeachtig, in grijze of purperen waterverftinten,
hebben een gevarieerde tekening van vlekken tot spikkels
en lintjes. Maar ze worden eenvoudigweg op de grond
gelegd en daar uitgebroed. Soms wordt er iets van een
nestholte uitgekrabd, maar meestal niet. Door de
kleurstelling ontstaat er een uitstekende schutkleur. De
camouflagekleuren van de nachtzwaluw en zijn eieren zijn
zo knap, dat het nest bijna onvindbaar is. Vaak wordt
het nest vlakbij een stuk dood hout gemaakt, waarvan men
aanneemt dat dit dienst doet als een soort merkteken.
Ondanks de uitstekende camouflage zijn er altijd weer
“specialisten” die zo’n nest vinden. Er worden camera`s
bij geplaatst die met infrarood registreren hoe vaak de
jonge vogels worden gevoerd. De ouders voeren met een
bal van insecten. Net als gierzwaluwen dat doen, worden
de gevangen insecten in de keelzak bewaard en later aan
de jongen gevoerd. Als er echter iets is dat de
nachtzwaluw niet bevalt dan worden de eieren
eenvoudigweg naar een andere plaats versjouwd. Ook met
de jongen, die een echte bruingevlekte bosbodemkleur
hebben, solt hij op allerlei manieren, zodat dit voor
verassingen kan zorgen. Het ontbreken van eieren of
jongen in een eerder gevonden nest, leidt dus niet
altijd tot de conclusie: roof, vandalisme of ongeval
Men heeft ook wel, bij wijze van experiment, een
ringetje om de nek van de jonge nachtzwaluwen bevestigd.
Dit ringetje voorkomt dat de jongen het voer kunnen
doorslikken. Vanuit de camera kon men zien wanneer de
jongen gevoerd werden. Direct na het vertrek van de
oudervogel werd de voerbal verwijderd. Later werd deze
ontleed. De keelring werd vervolgens verwijderd en de
jongen kregen een soort voerpapje ter compensatie van
het misgelopen voer. Ook zijn er op diverse plaatsen op
de heide insectenvallen gezet, waar de nachtelijke
insecten worden gelokt en gevangen met behulp van
ultraviolet licht.
En dan de zang van de mysterieuze nachtzwaluw (in de
volksmond
geitenmelker genoemd; Caprimulgus betekent
letterlijk
geitenmelker). Deze bijnaam kreeg de vogel in
vroeger tijden, toen men dacht dat hij zich `s nachts
laafde aan de uiers van de geiten. Wel is het zo dat de
nachtzwaluw zich graag in de buurt van geitenkudden
ophoudt, om daar de insecten te vangen die op
geitenmest
afkomen. De zang is een aanhoudend geratel waarmee de
nachtzwaluw, samen met de sprinkhaanrietzanger en de
snor, het alleenrecht in Nederland heeft. Dit geratel
lijkt wat op een kikkerkoor; het verandert af en toe van
toonhoogte. Het is een beetje te omschrijven als errrr,
urrrrr, errrrr, en het wordt door de vogel gezongen
vanaf zijn rustplaats op een tak. Het geratel op de
heide is vèrdragend en we horen het pas na
zonsondergang. Tijdens de vlucht horen we zijn roep
koe-eh, koe-eh, of we horen een hard klappend geluid,
als van een zweep. Dit ontstaat als de nachtzwaluw zijn
vleugels boven zijn rug tegen elkaar laat slaan. Er is
nog een speciale roep, die erop zou duiden dat de vogel
zijn nest in de directe omgeving heeft, maar dat is nog
niet wetenschappelijk aangetoond.
Door zijn lange vleugels, lange staart, grote ogen,
grote bek en korte pootjes, is de nachtzwaluw volledig
aangepast aan het leven van nachtelijke insectenjager.
Hij heeft overigens niets van doen met de familie der
zwaluwen. Als de nachtzwaluw wordt opgejaagd lijkt zijn
vliegbeeld wel wat op dat van een valk. In vroeger
tijden, toen er nog verwoed gejaagd werd op roofvogels,
heeft menige nachtzwaluw het leven gelaten, omdat men
hem voor een valk versleet!
Zijn broedgebied vinden we in lichte bossen, jonge
aanplantingen, heide, kaalslag en bosranden. In het
algemeen open terreinen met verspreide bomen,
halfwoestijnen en duinen. Het mannetje is goed te
onderscheiden van het vrouwtje door de witte punten aan
de buitenste staartpennen en door de drie witte vlekken
op de vleugelpunten. Er worden normaal twee legsels per
broedseizoen grootgebracht. De eieren worden vanaf
midden mei gelegd met tussenpozen van 36 uur, waardoor
de jongen na een broedtijd van 18 - 21 dagen ook met een
verschil van 1 - 2 dagen uitkomen. Het vrouwtje neemt de
broedzorg alleen voor haar rekening. De jongen zijn
gedeeltelijke nestvlieders en direct bedekt met dons.
Beide ouders nemen hun verantwoordelijkheid voor het
grootbrengen van de jongen, maar als het vrouwtje na
twee weken aan haar tweede legsel begint, neemt het
mannetje de zorg van het eerste legsel volledig over. De
jongen kunnen na 16-18 dagen vliegen, maar zijn pas na
ruim een maand zelfstandig.
De camouflage van de nachtzwaluw is zo geperfectioneerd,
dat de vogel er compleet op vertrouwt. Zelfs als men hem
dicht benadert vliegt de vogel niet weg. Pas op het
allerlaatste moment, als men een hand uitstrekt, vliegt
hij op. Zijn verenpak laat als het ware de bosbodem
zien, met zijn vele nuances en schakeringen. Blaadjes,
takjes, naalden, zonnespel en schaduwpartijen zijn
nagebootst. Zelfs zijn ogen kan hij overdag vernauwen
tot zeer kleine spleetjes (dit kunnen de jonge vogels
ook al). Hierdoor ziet de belager geen ogen die een
nachtzwaluw zouden kunnen verraden, maar de vogel zelf
blijft wel zicht houden op zijn omgeving. Merkwaardig is
dat de middelste teen van de nachtzwaluw een soort
getande kamnagel heeft.
Deze “kam” kan de vogel gebruiken om zijn
stevige borstelharen te kammen en stof of insectenresten
te verwijderen. De rand van stijve borstelharen dient om
de ogen te beschermen tijdens de insectenjacht en om het
(toch al grote) mondoppervlak te vergroten. De bek van
de nachtzwaluw is in geopende toestand een enorm gapend
gat. De vogel kan de bek in zowel verticale richting als
in horizontale richting openen, zodat er een enorme
ruitvormige opening ontstaat.
De nachtzwaluw was enige decennia geleden (1973 – 1977)
in Nederland nog redelijk vertegenwoordigd met 2000
broedparen, maar dit aantal daalde sterk tot 450
broedparen (1998 – 2000). Hiermee kwam de nachtzwaluw
ook op de rode lijst terecht. Mede door gericht
onderzoek werden broedterritoria geschapen en werd zijn
biotoop verbeterd, wat een doorslaand succes bleek te
zijn. De huidige stand in Nederland wordt nu weer
voorzichtig op 1500 – 1800 broedparen geschat. In de
winter trekt de nachtzwaluw weg naar Afrika, ten zuiden
van de Sahara. Door zendertjes weet men dat de laatste
nachtzwaluw vertrok op 19 september (2009).
Het mysterie van weleer is in de loop der tijden wel
ontrafeld, maar het blijft een prachtige vogel, die
helaas niet altijd te zien is. Door zijn nachtelijk
leven leidt de nachtzwaluw een verborgen bestaan, maar
door zijn bijzondere ratelzang vestigt hij wel de
aandacht op hemzelf. Als cultuurvogel lijkt het een
onmogelijkheid hem te houden en te kweken, maar het is
zeker interessant om wat meer over hem te weten!






