DE  MOOIE  GROTE  OERALUIL   (Strix uralensis)       door Jeu Smeets 

In zijn voorkomen lijkt deze vogel nogal wat op de prachtige Laplanduil, daarbij vooral gelet op de gezichtsuitdrukking.

Het leefgebied van de Oeraluil is zeer omvangrijk en  loopt van Scandinavië, in een zeer breed gebied dat begint onder de poolcirkel, oostwaarts tot Japan.

In Zuid Duitsland, Oostenrijk,Tsjechië en Slovenië kwam de Oeraluil in de negentiende eeuw in uitgebreide bossen voor. In 1950 is zelfs nog een broedgeval geregistreerd in het Oostenrijkse Stiermarken. Maar in alle andere gebieden gold de vogel lange tijd als zijnde uitgestorven. In het Beierse woud en het Böhmerwoud lopen nu herintroductieprogramma’s die redelijk succesvol zijn en al op verschillende plaatsen tot een tiental vaste broedparen hebben geleid.

Oeraluilen zijn vrij trouw aan hun standplaats. In Scandinavië zijn meerdere duizenden nestjongen geringd en deze bleken nadien voor 85% binnen een straal van ongeveer 50 km. vanaf hun geboorteplaats weer tot broeden over te gaan. Er zijn echter ook gevallen bekend die meer dan duizend kilometers aflegden, allen in zuidelijke richting. Vaak jonge uilen van Siberische oorsprong. Hoogstwaarschijnlijk uilen die gedurende de winterperiode naar het zuiden zijn afgezakt en zijn blijven plakken, maar alles wel binnen hun normale leefgebied.

De Oeraluil is vrij groot, heeft een grote, ronde kop en een opvallend ronde gezichtssluier, terwijl de staart relatief lang en afgerond is. Het is ook een zeer contrastrijke vogel en opvallend zijn de vrij kleine ogen. Wat kleur betreft zijn er onderling flinke verschillen. Daarbij moet aangetekend worden dat vogels uit noordelijke gebieden over het algemeen veel lichter van kleur zijn dan de meer donkere zuiderlingen.

Op kleur zijn ze geslachtelijk niet te onderscheiden. Er is echter wel een verschil in grootte. De mannetjes zijn meestal rond de 55 cm. en wegen tot ongeveer één kilo en de vrouwtjes zijn ruim 60 cm. en wegen tot 1,3 kilo.

Oeral uilen beschikken over een vrij omvangrijk geluidsrepertoire en dat kan van vogel tot vogel sterk verschillen. Opvallend is wel dat de zang / roep van de man opvallend veel melodischer is dan van de vrouw. Gevestigde broedparen laten echter nauwelijks van zich horen zodat een broedend paar gemakkelijk over het hoofd kan worden gezien. De herfstbalts wordt begeleid door blaffende en klakkende geluiden en verstoringen leveren een luid snavelklapperen op.

Wat het voedsel betreft is de Oeraluil niet voor één gat te vangen. Halfwas hazen, volwassen wilde konijnen, alle voorkomende soorten muizen, waarvan de woelmuis wel het grootste deel uitmaakt, maar ook voor een volwassen auerhoen draait hij zijn “handjes“ niet om.  In de winter wordt zijn menu in hoofdzaak bepaald door spitsmuizen en vogels (voornamelijk duiven en lijsterachtigen) en verder fazanten en patrijzen. In sommige gebieden vormt de zevenslaper een belangrijk deel van zijn kostje. De zevenslaper of relmuis is een overgrote muizensoort (tot ruim 200 gram), die nachtactief is en zelfs wel eens met een eekhoorn verwisseld wordt vanwege zijn pluimstaart.

Jagen doet de Oeraluil graag vanuit een vrij hooggelegen uitkijkpost. Is de prooi in zicht of akoestisch gelokaliseerd dan laat hij zich in een steile vrije val er bovenop vallen, waardoor kleine prooidieren al vaak meteen dood zijn. Is dat niet het geval dan wordt het werk afgemaakt met enkele stevige nek- of kopbeten. In een vrije (jacht)vlucht vliegen ze vrij laag boven de grond en laten ze zich in een abrupte en snelle wending boven op hun prooi vallen. Bij nacht worden vogels gewoon uit de bomen geplukt. Kleine prooidieren worden in de snavel meegevoerd naar een eetplaats en daar met huid en haar geconsumeerd. Van grotere dieren wordt het vlees verorberd en blijven de ingewanden liggen terwijl van vogels vaak alleen het borstvlees wordt opgenomen.

Overigens besteedt de Oeraluil veel tijd aan het onderhouden van zijn verenkleed en hij neemt graag een bad. Ook het nemen van een zonnebad behoort tot de favoriete bezigheden van deze uil en hij zal, vooral in de winterperiode, gericht iedere zonneplek opzoeken.

De braakballen van de Oeraluil zijn gemiddeld 7 cm. lang en 2,5 cm. in doorsnee, aan het einde licht toegespitst en vast van consistentie.

Oeraluilen zijn schemering- en nachtactief maar in broedtijd willen ze wel jagen tot in de late ochtenduren. De eerste activiteit begint in de vroege avond en duurt tot middernacht, waarna een rust- en poetspauze volgt. Na enkele uren volgt dan een tweede actieve periode die duurt tot in de ochtendschemering.

Normaal gesproken wordt de dag inactief  doorgebracht op open plekken in de bosranden, maar in de broedperiode zijn de vogels constant in de buurt van het nest te vinden; dat verdedigen ze ten koste van alles.

Oeraluilen blijven het hele jaar in hun territorium en zijn vooral in de broedtijd uiterst agressief. Of het nu herten, reeën, wilde zwijnen of mensen zijn maakt niet uit. Alles wat te dicht in de buurt van het nest komt wordt direct aangevallen met de klauwen naar voren. Deze verrassingsaanvallen volgen meestal nadat de vogel indringers onopgemerkt gevolgd heeft. Het slachtoffer wordt altijd in de rug aangevallen en kan behoorlijke verwondingen oplopen. Overigens blijken de vrouwuilen hierin agressiever dan de man. Buiten het broedseizoen zijn ze echter redelijk vertrouwelijk naar de mensen toe, vrij nieuwsgierig  van aard en ze laten zich tot op enkele meters benaderen.

De Oeraluil kent een monogaam huwelijk op leeftijdsbasis maar buiten de broedtijd gaan man en vrouw afzonderlijk door het leven om elkaar het volgend voorjaar weer op te zoeken.

De jonge uilen zijn het jaar dat volgt geslachtsrijp maar het is gebleken dat jonge vrouwtjes pas het tweede of derde jaar aan broeden toekomen. De reden hiervan is niet duidelijk.

In de herfst begint al de paarvorming met de zogenaamde herfstbalts. Deze wordt gekenmerkt door een zeer luidruchtige rivierafbakening, maar ook door agressief  gedrag van beide geslachten.

De hoofdbalts begint medio januari en wordt gekenmerkt door verschillende contactroepen en nestplaatsbepaling. Vrij snel daarna begint ook de eerste buituitwisseling die dient om de eerdere agressie ten opzichte van elkaar weg te nemen. Dan komt het tot een gezamenlijke inspectie van een nestplaats in een holle boom, of ook wel van een nestkast. Dan komt de voedseluitwisseling weer en het poetsen van elkaars veren. Na wat draaibewegingen van het vrouwtje in de nestgelegenheid vindt meestal de eerste bevlieging plaats op een tak in de buurt. Overigens is de Oeraluil met veel tevreden als het om de nestplaats gaat. Oude roofvogelhorsten, kraaiennesten en ooievaarsplateaus doen hiervoor dienst op voorwaarde dat het midden van het nest maar een duidelijke diepe kom heeft. Ze dragen zelf geen nestmateriaal aan.

In jaren van veel prooidieren en ondiepe sneeuw begint de broedperiode al in februari, maar hoe hoger het leefgebied richting poolcirkel gaat des te later het broedseizoen. Op deze plaatsen kan men zelfs tot eind juni verse legsels vinden. De Oeraluil kent één broedsel per jaar en of het bij verlies hiervan tot een tweede nest komt is niet bekend.

Het vrouwtje legt met een tussentijd van twee tot drie dagen gemiddeld drie tot vier eieren, zuiverwit, rondovaal en ongeveer vijftig gram zwaar. Qua grootte te vergelijken met een middel klasse kippenei.

Het vrouwtje broedt vanaf het eerste ei zeer vast en wordt door manlief op het nest van voedsel voorzien. Na ongeveer achtentwintig dagen komt het eerste kuiken uit, in legafstand gevolgd door de andere. Het vrouwtje verzorgt de jongen en zichzelf met het voedsel dat de man brengt gedurende de eerste weken. De jongen groeien zeer snel en na ongeveer vijf weken kun je ze al bewonderen als takkelingen; ze proberen met klauwen en snavel snel een veilige plaats te bereiken.

Vanaf dat moment worden ze nog twee maanden door de ouders verzorgd waarna ze volkomen zelfstandig zijn.

Het broedresultaat van de Oeraluil hangt sterk samen met het voedselaanbod en de klimatologische omstandigheden. Van de jonge uilen sterft in de eerste twee levensjaren ongeveer de helft, waarna de levensverwachting zich stabiliseert en kan oplopen tot ruim twintig jaar. In gevangenschap is dertig jaar bij goede verzorging geen uitzondering.

Met de Oeraluil wordt in gevangenschap regelmatig gekweekt en dat is op zich niet zo moeilijk voor een ervaren uilenkweker. Toch is het, gezien de agressie in de broedtijd, zeker geen vogel voor de beginnende kweker.

 

Duitse benaming: Habichtskauz en Uralkauz / Engelse: East European Ural Owl