






HET
ROODBORSTJE:
een pittig vogeltje
door
Jeu Smeets
Het roodborstje
(Erithacus
rubecula rubecula)
is in onze
omgeving een alom bekend vogeltje en ik denk dat het
dicht tegen de kwalificatie
meest voorkomende broedvogel van
Nederland
aanzit. Men ziet ze werkelijk overal. Van half open
bossen met veel ondergroei, parken, tuinen en tuintjes
tot houtwallen, heggen en ander klein struweel toe.
Omdat ze erg netjes zijn, vinden ze het prettig als er
badwater in hun woonomgeving te vinden is. Na een
lekkere regenbui zie je ze dan ook ijverig baden in
kleine poeltjes.
Overal waar enige dekking aanwezig is, voelen ze zich
thuis. Ligt er op de grond de nodige bladafval, dan
scharrelen ze daartussen een groot gedeelte van hun
dagelijkse kostje bij elkaar. Ze bakenen, vooral in de
winter, een eigen voedselterritorium af, dat fel wordt
verdedigd tegen soortgenoten. Maar dat gebied is niet al
te groot en dan lijkt het erop dat de vogels dicht bij
elkaar zitten.
De roodborst is ongeveer
In de zomer hebben ze een slank voorkomen maar in de
winter lijkt het of ze steeds kou lijden omdat ze hun
veren bol opzetten. Hun zachte, ietwat parelende liedje
klinkt tot ver in de winter en is lieflijk om te horen,
zonder de geluiden direct te kunnen duiden. Overigens
zingen de wijfjes aardig mee en dat is in de vogelwereld
vrij uniek.
Vliegen doen ze veelal over korte afstanden, van struik
naar struik, snel en dwarrelig. Over grotere afstand
vliegen ze snel,
enigszins golvend en onregelmatig.
Hun voedsel bestaat uit bijna alles wat op de grond te
vinden is: insecten, hun eitjes, larven en poppen,
wormpjes, slakjes, spinnetjes en diverse bessen, als het
seizoen daar is.
Het verspreidingsgebied van deze vogels is enorm en
omvat grofweg geheel Europa en Azië. Op zo’n groot
gebied kan het niet anders of er zijn door
gebiedsafscheidingen ondersoorten ontstaan volgens de
door Darwin ontdekte wijze. In totaal zijn acht
ondersoorten beschreven, maar omdat ze allemaal toch
veel op elkaar lijken in vorm, kleur en gedrag, wil ik
mij houden aan de bij ons voorkomende soorten. De
mannetjes en popjes zijn van elkaar te onderscheiden
door de mindere borstkleur van het popje en de oranje
band boven de snavel die een stuk smaller is.
De broedtijd van het roodborstje ligt, afhankelijk van
de klimaatzone waar ze verblijven, van maart tot
augustus. Het nest, gemaakt van dorre grassen, mossen
stengeltjes etc., wordt van binnen gevoerd met pluizig
materiaal, zoals dierharen, veertjes en nog wat. In de
keuze van de nestplaats zijn ze niet kieskeurig. Het kan
gewoon op de grond zijn onder een struik, maar ook een
boomholte, muurspleet, conservenblik of klimopstruik kan
dienst doen. Een kennis van mij had in zijn, via een
open raam toegankelijk, tuinhuisje een oude jas hangen.
In de mouw van die jas bracht een roodborst paartje vijf
jongen groot. Het nest van meestal vijf of zes
roomkleurige eitjes met roestbruine stippeltjes, worden
in veertien dagen, alleen door het popje, uitgebroed
waarna beide ouders de jongen verzorgen die met ongeveer
vijftien dagen uitvliegen. De oudervogels voeren daarna
nog een dag of tien tot de jongen geheel zelfstandig
zijn.
Roodborsten zijn in onze streken meer stand- en
zwerfvogels. In de winter worden ze aangevuld met vogels
uit het hoge noorden, waar het toch te koud wordt en
waar het sneeuwdek te dik is voor vogels die alles van
de bodem moeten hebben. Als hier te lande de winter wat
te hard wordt gaan ze wel verder naar het zuiden, maar
verder dan Zuid–Europa komen ze niet.
De kweek met roodborstjes
Deze is relatief eenvoudig mits er aan een paar
voorwaarden kan worden voldaan. Ten eerste is een
beplante en enigszins beschutte vrije volière een
noodzaak; daarin moeten ze het hele jaar door kunnen
verblijven, op voorwaarde dat water en voedsel vorstvrij
aangeboden kunnen worden. De bodem moet bestaan uit
natuurlijke grond en bedekt zijn met een laag bladloof
en verder is vers badwater een vereiste. Het roodborstje
is een vogel die weinig eisen stelt en die voortdurend,
ijverig, zijn lied zal laten horen.
Wat voedsel betreft moeten we verschil maken tussen
voorjaar/zomer en herfst/winter. In voorjaar en zomer
leeft de roodborst uitsluitend op dierlijke kost en
hiervoor staan ons pinky’s, mieren en hun eieren, kleine
krekels, meelwormen, buffalo’s, rupsen en wasmotlarven
ter beschikking. In herfst en winter kunnen we volstaan
met een goed universeelvoer waarin insecten, bessen en
vruchten verwerkt zijn.
Buiten de broedtijd moeten mannetjes en popjes
gescheiden ondergebracht worden. Dat kan het beste in
naast elkaar gelegen vluchten, zodat men in het voorjaar
aan het gedrag van de vogels kan zien wanneer het tijd
wordt om ze bij elkaar te zetten. Voor alle zekerheid
moet men wel even toezicht houden om er zeker van te
zijn dat de hormonen van de man harder werken dan zijn
agressie. Als nestplaats kan klimop, maar ook
boomstronken met holten en halfopen nestkastjes dienst
doen. De ouders zullen hun jongen als regel probleemloos
grootbrengen maar als deze dertig dagen oud zijn en
zelfstandig, is het raadzaam de oude en jonge vogels te
scheiden omdat er anders slachtoffers vallen.
In Nederland is de voorgeschreven ringmaat
Engels: Robin
-
Duits: Rotkehlchen






