




SLAKKEN
ALS
VOGELVOEDING
Bron: “Onkruiden”
door Alois van Mingeroet
Dat slakken gegeten worden door de
mens, zal iedereen wel weten. De kraampjes op de kermis
of op de markt met escargots (wulken; Phalium granulatum):
u kent ze wel. Ook wijngaardslakken (Helix pomatia)
worden door velen als een lekkernij beschouwd. In de
betere restaurants worden ze aangeboden als “escargot de
Bourgogne”, al krijg ik er nog niet één voor een fortuin
door mijn keel, laat staan in mijn mond.
De slakken variëren in grootte van
1 –
De slakken die door vogels gegeten
worden, zijn meestal het broed van de slakken die hier
leven. Alhoewel grotere vogels ook wel volwassen
huisjesslakken eten. Zanglijsters zijn er zelfs in
gespecialiseerd en hebben in de nabijheid van hun nest
gewoonlijk een “lijstersmidse”: dit is een steen waarop
ze de slakkenhuisjes stukslaan, om zodoende het
binnenste er te kunnen uithalen. Na een tijdje liggen
rond deze steen talrijke stukgeslagen huisjes. Vandaar
de naam “lijstersmidse”.
Spraken we al van huisjes- en
naaktslakken, men kan ook nog een onderverdeling maken
tussen de waterslakken met één paar voelhorens, terwijl
de meeste landslakken twéé paar voelhorens bezitten.
Bij ons komen een dertigtal soorten
voor in huisjes- en naaktslakken. Slakken hebben twee
dingen gemeen: ze houden van de nacht en van een
vochtige omgeving. Wil je ze te pakken krijgen om ze aan
je vogels te kunnen voeren, dan zul je vroeg uit de
veren moeten. Bij dageraad zitten de huisjesslakken nog
op de grashalmen langs grachten, bosranden en duinen.
Vooral de kleinste zijn een lekkernij voor goudvinken,
gorzen, appelvinken, kardinalen, lijsters, spreeuwen,
vinken, kepen, kwartels, patrijzen, fazanten en duiven.
De kleine huisjesslakken worden soms met huisje en al
opgegeten. Vogels die dit voedsel krijgen, hebben zelden
last van legnood, terwijl voor de jongen deze extra
kalkrijke voeding het skelet ten goede komt. Slakken met
huisje die bij ons het meeste voorkomen zijn: de
poelslak (Lymnaea stagnalis), de posthoornslak (Planorbis
corneus), de veldslak (ook wel tuinslak genoemd – Cepaea
nemoralis). Slakken zonder huisje zijn: de gewone slak (Arion
rufus) en de aardslak (Limax maximus).
Kleine naaktslakjes kan men soms
massaal vinden in uitgegraven grachten, op betonplaten
op allerlei begroeiing langs grachten, in duinen en
bij/op dijken. Schreef ik hiervóór al dat het beste
moment om de slakjes te verzamelen héél vroeg in de
morgen is, ook ’s avonds bij regenweer kan men de
slakjes soms talrijk vinden. Het voordeel is dat ’s
morgens niemand je ziet en dat je ’s avonds nogal eens
wat uitleg moet geven aan nieuwsgierigen.
Om de slakjes een tijdje te kunnen houden, moet je kunnen beschikken over een aquarium of terrarium. Je moet wel steeds zorgen voor verse graspollen, al worden blaadjes sla, kool, het groen van wortels, vogelmuur en dovenetel ook door de slakjes op hun waarde geschat. Op de bodem kun je het beste een laag keien leggen. Deze kun je goed vochtig houden met een plantenbenevelaar. Het aquarium of terrarium kun je het beste afdekken met een kader, gemaakt van muggengaas. Vergeet dit niet, anders zal het weken duren eer je het laatste slakje gevonden hebt.
Slakken kan men bijvoederen met
kalk (bijv. sepia): het komt de vogels zeker ten goede.
Het is niet verstandig om slakken
dicht bij hokken te verzamelen, waarin zich pluimvee
bevindt, aangezien slakken daar vaak fungeren als
tussengastheer van wormen. Dat wil zeggen dat slakken
wormeitjes eten, die in hun lichaam geëmbrioneerd
worden. Eten de vogels zo’n slak, dan zitten ze met een
worminfectie. Voor de rest hebben slakjes niets dan
voordelen.
De voortplanting van slakken is niet zo simpel. Slakken zijn zowel mannelijk als vrouwelijk, al kunnen ze zichzelf niet bevruchten. Als ze er eentje van hun soort tegenkomen, dan kunnen ze altijd paren, want ze hebben beiden alles. Raar maar waar. Deze tweeslachtigheid wordt “hermafrodise” genoemd.






