








Met toestemming overgenomen uit AZ-Nachrichten; vertaald/bewerkt door Jeu Smeets
Orde: Columbiformes - Fam.: Columbidae
Soort: Streptopelia decaocto
Türkentaube (Duits)-Collared Turtle Dove (Eng.)
De Turkse tortel komt voor van Europa tot Klein- Azië en tot het oosten van China. In het oosten van de Verenigde Staten is de soort na import ingeburgerd. Van oorsprong kwam deze duif alleen voor in Klein Azië (vandaar waarschijnlijk de benaming) en hij heeft zich ongeveer vanaf 1930 over Europa verspreid. In de regel is deze duif een standvogel, maar door ringen en onderzoek is vastgesteld dat ook grotere afstanden worden afgelegd. In herfst en winter vormen de vogels grotere groepen en gaan ze gemeenschappelijk op voedselzoektocht.
De lengte is ongeveer 31 - 33 cm. De kleur is bruinachtig met een roze en blauwachtige schijn vooral aan de onderkant. De bovenkant is iets meer egaal bruin. De vogel heeft een zwarte halsring en de staart is relatief lang.
Hij lijkt nog het meest op een lachduif, maar deze is meer isabelkleurig en heeft een beduidend kortere staart. De pootjes zijn roze tot lichtrood en de ogen zijn rood gekleurd. De doffers en duivinnetjes zijn niet of nauwelijks van elkaar te onderscheiden.
Turkse tortels hebben een snelle vlucht en zijn, mede door hun langere staart, zeer wendbaar in de vlucht, waarbij vaak licht fluitende geluiden ontstaan. Ook bij het landen en opvliegen komen ritselende en ruisende geluiden naar voren. De vleugels zijn korter en meer afgerond dan bij lach- en tortelduiven.
Het koeren is een monotoon en ver hoorbaar “oe, oe, oeoeh” en kan in woongebieden wel eens storend werken, zeker bij een grotere populatie.
Voedsel
Het voedsel van de Turkse tortel is overwegend plantaardig en bestaat uit vruchten, bessen, graszaden, kiemzaden en groene blaadjes. Ook nuttigen ze graag de zaadjes en vruchten van bomen en struiken. Vaak zijn ze echter ook aan te treffen op voederplaatsen van hoenders, op andere vogelvoederplaatsen en in dierentuinen. Gezien de leefomgeving waar ze zich thuis voelen zijn deze duifjes zelden schadelijk.
In de baltsvlucht stijgt de doffer, met wijd uitgehaalde vleugelslagen, recht omhoog en komt daarna, luid vleugelklapperend, in glijvlucht weer naar beneden.
Het nest is een belachelijk dun bodempje van takjes en twijgjes in een vork van de boom of op een platte tak. Het duivinnetje legt hierin het legsel van twee eitjes met een doorsnee van 30 x 23 mm. De broedtijd is ongeveer 14 - 16 dagen en na ongeveer 16 - 18 dagen verlaten de jongen het nest. De jongen worden dan nog wel een tijdje door de ouders gevoerd.
Drie tot vier broedsels in de tijd van maart tot september zijn zeker geen uitzondering en door krachtig met de vleugels van zich af te slaan als eieren of jonge vogels belaagd worden, slagen ze erin, de meeste broedsels tot een goed einde te brengen.
Zonder deze mooie duifjes zou onze vogelwereld zeker een stukje armer zijn!


