








ALLE EUROPESE UILENSOORTEN WORDEN GEKWEEKT IN VLAANDEREN
door Louis Gonnissen,
oud-voorzitter C.R.O. (Commission Recherche Ornithologique C.O.M.)
Toen ik de oproep van de uilen- en roofvogelwerkgroep las in nummer 1/2007 was mijn spontane reactie: “Maar ik weet zeker - want ik ben ooggetuige - dat alle Europese uilensoorten in Vlaanderen gekweekt worden”. De kweekverslagen in de verschillende tijdschriften, de te koop aanbiedingen, het verlagen van prijzen bij frequent gekweekte uilensoorten, de snelle toename van kennis en het talrijke, nog steeds groeiende kwekersaantal liegen er niet om!
Ik ga de Europese uilensoorten wat systematisch ordenen in de orde Strigiformes of Uilen en tegelijk voorzien van kanttekeningen.
Het genus of geslacht Tyto,
Kerkuilen,
is het meest populair en wordt het meest gekweekt in Vlaanderen en
wel in twee kleurvariëteiten: met volledig witte buik en borst (Tyto
alba alba) en met geelbruine buik en borst (Tyto alba guttata).
Ook de op de rugzijde volledig witte kerkuil komt als Engels
kweekproduct al voor op het Europese vasteland. Naast deze
lelieblanke uil is ook de zondezwarte kerkuil al meerdere jaren
tussen ons. Over de zwarte kerkuil leverde ik een bijdrage in BEC
nr. 3/2006. Zeer waarschijnlijk heeft de kweek met de kerkuil het
grootste en snelste succes gekend in heel de geschiedenis van de
avicultuur.
In de Olmense Zoo werden in 2004 drie kerkuilen geboren en in 2006
volgden Harry en Henk.
Het genus of geslacht Strix, Bosuilen, bevat drie Europese soorten:
De Bosuil (Strix aluco) is direct herkenbaar aan zijn donkerzwarte ogen. Ik telde 6 exemplaren van 6 verschillende inzenders op de 13de Gouden Ringshow (2006) te Ieper, wat bewijst dat deze uilen toch vrij populair zijn, zij het veel minder dan kerkuilen en steenuilen. We mogen zeggen dat de kweek gestaag en zonder veel moeilijkheden verloopt in Vlaanderen.
De Oeraluil (Strix uralensis) kent slechts 1 kweker. Hij slaagde gemakkelijk maar deze uil is weinig bekend en dus weinig bemind.
De Laplanduil of baarduil (Strix nebulosa) heb ik zien kweken. Ik mocht de kweek van heel nabij volgen bij een paar liefhebbers. De populatie neemt gestaag toe omdat er nog altijd kwekers bijkomen van deze grote indrukwekkende uilensoort. Ik kan bij aanvraag de namen meedelen van deze kwekers.
De ooruilen zijn nauw verwant aan de bosuilen. De ooruilen hebben zich ontwikkeld uit de bosuilen maar door het aannemen van sierpluimen op de kop, die we oorpluimen noemen, zijn ze ook van de bosuilen gescheiden geraakt.
Het genus of geslacht Otus, Ooruilen, heeft als vertegenwoordiger in Europa de Dwergooruil (Otus scops). Het is maar een klein uiltje van 20 cm. en het wordt regelmatig gekweekt door enkele liefhebbers die aandacht hebben voor dit uiltje. De populatie neemt snel toe op dit ogenblik omdat er meer kwekers bijkomen en deze ooruilen gemakkelijk kweken.
Een andere ooruil is de Ransuil (Asio otus). Die meet ongeveer 36 cm. Het is eigenlijk de enige uilensoort die wat moeilijkheden opgeleverd heeft bij de kweek. Hij vraagt een grote stilte en geborgenheid in het groen alvorens tot de kweek over te gaan. Mijn vriend, de uilenspecialist Robert Steigrad, publiceerde hierover in De Europese Vogelwereld een prachtig gedocumenteerd kweekverslag.
De grootste ooruil is de Oehoe (Bubo bubo). De man meet 63-68 cm. en de vrouw 67-73 cm. Het is dus een zeer imposante uil die veel bewonderaars kent en dus veel (en gemakkelijk) gekweekt wordt. Hij behoort ook tot de regelmatig gekweekte uilen van de Olmense Zoo. De Fransen vatten de drie genoemde ooruilen samen en spreken van le Hibou petit-duc voor de dwergooruil, le Hibou moyen-duc voor de ransuil en le Hibou grand-duc voor de oehoe.
De Velduil (Asio flammeus) behoort tot hetzelfde genus als de Ransuil (Asio otus) en staat er in Vlaanderen het slechtst voor van alle uilen. Daarom heeft deze uil bijzonder weinig aanhang. Men heeft mij mondeling verzekerd dat de velduil al gekweekt is, maar ik heb het niet gezien en heb in de lijsten van de kwekers niemand gevonden die de velduil bezit. Bij verdere navraag bij uilenspecialisten kom ik tot het besluit dat de velduil in Vlaanderen niet of niet meer gekweekt wordt. Zo kan de kweek die vandaag niet wil vlotten, binnenkort succesvol verlopen. Dat is al gebeurd met de nauw verwante ransuil. Zulke voorbeelden zijn legio in de geschiedenis van de avicultuur.
De Ruigpootuil (Aegolius funereus), een prachtig gekleurd en getekend donkerbruin uiltje van 24-26 cm. kweekt bij vele kwekers erg goed. Er zijn soms nesten van 7 jongen. De kwekers hebben mij gezegd dat ik hun naam mag meedelen.
De Sperweruil (Surnia ulula), tussen 36-41 cm., behoort tot de regelmatige kweekvogels zoals de ruigpootuil. De kwekers hebben mij gezegd dat ik hun naam mag meedelen.
De Dwerguil (Glaucidium passerinum) is geen dwerg want die hebben verkorte ledematen. Men spreekt tegenwoordig liever van een mini uiltje van slechts 16-17 cm. voor het mannetje en slechts 18-19 cm. voor het vrouwtje. Er worden in Vlaanderen kweekresultaten behaald maar het uiltje is niet populair en moet het afleggen tegen de grotere, meer indrukwekkende soorten of tegen het kinderlijk aandoende steenuiltje. Het dwerguiltje loopt kans in de plooien van de vergetelheid te verdwijnen. Dat zou zeer spijtig zijn want wellicht valt er bij dit uiltje nog heel veel te leren. “Alleen dingen die je tam maakt, leer je kennen”, zei de vos tot De Kleine Prins (in het verhaal van Antoine de Saint Exupérie).
Zo blijven er nog twee Europese uilensoorten over, de populaire sneeuwuilen en de nog populairdere steenuiltjes. De Sneeuwuil (Nyctea scandiaca) was ooit een uil zonder toekomst. Jaren geleden zaten in de Antwerpse Zoo verschillende jonge sneeuwuilen die geen toekomst hadden want ene gewone mens mocht geen uilen houden en al de dierentuinen en vogelparken hadden al te veel sneeuwuilen. Uilen zonder toekomst, ik heb ze gezien. Nu zijn die tijden gelukkig voorbij en kweken de sneeuwuilen volop bij vele mensen op vele plaatsen. Naast de oehoes en de Laplanduilen behoren ze tot de meest indrukwekkende uilensoorten.
Het lieflijke Steenuiltje (Athene noctua) vertoont een sterk aantrekkelijk kindschema en zet aan tot de aai-reflex. Deze uiltjes van slechts 22 cm. worden met de dag populairder en elk jaar nog meer gekweekt. Dat is ook in het geheel niet moeilijk. Ze broeden zelfs in kleine broedkooien, zoals ik zag in Le Jardin aux Oiseaux te Upie in Frankrijk. In Duitsland, Engeland en een paar andere landen is de kweek van uilen altijd al populair geweest en daar worden enorme aantallen gekweekt, ook van de soorten die bij ons in Vlaanderen wat zeldzamer voorkomen.
We weten nu ook zeker dat uilen gemakkelijker te kweken zijn dan zaadetende vogels, zoals o.a. goudvinken en Gouldamadine. Die zijn zeer gevoelig voor allerlei besmettingen, ziekten en schimmels, zoals elke kweker ondervonden heeft. Uilen zijn zeer sterk en buitengewoon bestand tegen besmettingen en ziekten, zoals de aviculturisten dagelijks ondervinden. Dat verklaart de buitengewoon snelle opgang van de meeste Europese uilensoorten. De dag nadat de wetgeving gewijzigd werd in Vlaanderen begonnen de gekweekte Europese uilen vanuit Duitsland, Engeland en uit de dierentuinen van allerlei landen, naar ons toe te komen. Toen is bij ons de veelbelovende geschiedenis van de domesticatie van de uilen begonnen.
Door zo velen op zo vele plaatsen in de Europese Gemeenschap worden zo vele uilen gekweekt dat er geen enkel gevaar dreigt van uitsterven of zelfs maar van inteelt, indien men dat niet wenst. Daar komt bij het vrije handelsverkeer, zodat geen grens gesloten mag zijn voor de uilen die voorzien zijn van CITES-papieren. Van de dertien Europese uilensoorten is nu slechts één soort problematisch en dat kan snel verkeren.


