







EVEN
VOORSTELLEN:
TWEE
UILTJES
door
Jeu Smeets
In dit artikel wil ik twee uiltjes
voorstellen die tot de absoluut kleinste van deze soort
behoren. Het zijn de
dwerguil
en de
dwergooruil.
Beide soorten blijven onder de twintig centimeter want
de eerste is niet groter dan een spreeuw en de tweede is
kleiner dan een lijster. In Nederland luisteren beide
naar de benaming
uil, terwijl dat in Duitsland wezenlijk anders ligt.
Daar heet een uil zonder oren
Kauz en een
uil met oren Eule.
Deze oren zijn geen echte oren, maar het zijn slechts
verenpluimen en ze hebben niets met echte oren te maken.
Overigens heeft de dwergooruil het vermogen om zijn
oorpluimen glad op zijn kop te leggen en daarmee wekt
hij de indruk een Kauz te zijn. Beide uiltjes zijn
Europees, maar komen van nature niet in Nederland voor.
Enkele malen zijn ze wel als dwaalgast waargenomen, maar
deze waarnemingen neem ik vaak met een korreltje zout,
omdat ook in vogelaarskringen de wens vaak de vader van
de gedachte is. Hoe dan ook, het zijn beide interessante
en mooie vogels, die ook in hun broedgebieden vaak nog
tamelijk zeldzaam zijn. Laten we beginnen met de
kleinste van de twee.
De dwerguil (Glaucidium
passirinum )
In het Duits heet hij “Sperlingskauz“ en in het Engels “Pygmy Owl“. In beide talen heeft men gezocht naar het kleine. In het Duits is men daarbij terechtgekomen bij de mus en in het Engels bij de pygmee.
De dwerguil is met zijn zestien centimeter nog kleiner dan een spreeuw. De vogel heeft een vrij platte kop en is aan de bovenzijde donkerbruin met talloze witte stippen en vlekjes, terwijl de onderzijde vrij licht van kleur is met fijne donkere lengtestrepen. Hij heeft opvallend lichte wenkbrauwstrepen en er lijkt over de hele vogel een lichte waas te hangen. Verder heeft hij een zwartbruine staart die voorzien is van drie of vier witte banden waarmee de vogel voortdurend wipt en schokt. De kleine oogjes zijn helder geel en staan pienter in het uilengezichtje. De beentjes en pootjes zijn sterk bevederd. Het zijn levendige vogels die ook overdag actief zijn en ook best luidruchtig kunnen zijn met een fluitend geluid: “kwie –kwie–kie“, wat een beetje koekoekachtig overkomt. Ook een helder “tuu–tuu–tuu” kunnen ze laten horen, alles een beetje afhankelijk van het broedseizoen.
In biotoopkeuze geven ze de voorkeur aan oudere dennenbossen in bergachtige gebieden en heuvellandschappen. Jagen doen ze in hoofdzaak bij daglicht en in ochtend- en avondschemering (niet ’s nachts) op alles wat qua grootte bij hen past: muisjes, kleine vogeltjes, maar vooral insecten die in de vlucht gevangen worden. Het zijn dan ook geoefende en behendige vliegers.
Het leefgebied is zeer uitgebreid en begint in het westen in de Franse Jura en gaat via de Alpen, Zwarte woud, Duits middelgebergte, noordwaarts naar Scandinavië en dan oostwaarts tot Siberië en zuidwaarts naar het Balkan gebergte tot Griekenland. Het zijn overwegend stand- en zwerfvogels. In ons land zijn een paar waarnemingen gemeld maar die zijn een beetje twijfelachtig. In de Belgische Ardennen zijn ze met zekerheid wel gesignaleerd en het zou niet verwonderlijk zijn als ze daar meerdere malen gebroed hebben. Maar de waarneming in een dergelijk groot gebied met veel ontoegankelijkheid blijft natuurlijk vragen oproepen. Geslachtsverschillen zijn op het oog niet waarneembaar. Het vrouwtje zou iets groter zijn dan het mannetje, maar bij een vogel van dit formaat praten we over een centimeter en een gewichtsverschil van enkele grammen. Over het broedgedrag in de vrije natuur is eigenlijk niet al te veel bekend. Het broedseizoen begint begin maart in de zuidelijke leefgebieden en in het noorden eind april / begin mei.
Het zijn holenbroeders die graag
een vrij ruim nest hebben met een ingang van vijf of nog
meer centimeters vóór de eigenlijke holte. Het legsel
bestaat in totaal tot zeven eieren die ± 28 dagen worden
bebroed. De eieren liggen in die tijd op een laag van
ongeveer één centimeter braakballen en andere
prooiresten. De jongen verlaten met ruim dertig dagen
het nest en worden daarna nog vier weken door de ouders
verzorgd. Omdat de jongen ook braakballen produceren
maakt het vrouwtje regelmatig het nest schoon en kiepert
ze de ballen eenvoudig naar buiten. Op die manier
ontstaat onder de broedholte een hoop afval die duidt op
een geslaagde familie-uitbreiding.
Het houden en
kweken in gevangenschap
Ondergebracht in een wat ruimere volière kan de dwerguil het hele jaar buiten blijven. Het lijkt mij raadzaam om toch een gedeelte van de vlucht te overdekken omdat in het wild de omstandigheden anders zijn. Tevens moet men rekening houden met het vrij monotone “gezang” wat een gevolg is van de territoriumvestiging. Dit wordt meestal vanaf de hoogste tak voorgedragen. De volière moet zeker wat dikkere takken bevatten en ook wat groen, in de vorm van coniferen of dennenboompjes. Boomholtes kunnen gemakkelijk vervangen worden door parkietenblokken (grote parkieten), gemaakt uit boomstammen. Deze zijn in alle gewenste maten te verkrijgen. Hierin zal de dwerguil haar jongen in alle rust groot kunnen brengen. Evenals in het wild is er slechts één broedsel per jaar.
Als voedsel in gevangenschap doen muizen en eendagskuikens goede dienst. Hoe klein deze vogels ook zijn, ze werken dit voedsel in hun geheel naar binnen.
De vogels moeten geringd worden met
een
De dwergooruil (Otus
scops)
Dit is een klein uiltje. Met zijn
(maximaal)
Deze uiltjes zijn alleen ’s nachts actief en leven overdag zeer teruggetrokken en verstopt.
Het zijn vrij slanke vogels die door de iets minder afgeplatte kop, en de iets langere vleugels en staart, wel wat afwijken van de meeste kleine soortgenoten. Mede daardoor zijn het ook snelle en wendbare vliegers.
Het verspreidingsgebied is grofweg Noord-Afrika, het Midden-Oosten, Zuid-Europa; noordelijk begrensd door midden Frankrijk, in rechte lijn naar Hongarije en Roemenië, Zuid- Rusland tot Siberië en Mongolië. In Nederland is de vogel een enkele keer als dwaalgast gesignaleerd, maar in de Belgische Ardennen schijnen ze vaker voor te komen. Maar broedgevallen zijn er zeker niet te melden.
Het zijn grotendeels trekvogels die de winter in warmere streken doorbrengen.
In de geslachten is uiterlijk geen verschil te zien. Nauwkeurige metingen en wegingen geven aan dat de vrouwtjes iets groter en zwaarder zijn, maar dat is minimaal.
De “zang” van de dwergooruil is een vrij monotoon “kjoe–kjoe“ wat vooral in de paartijd de hele nacht kan klinken. Verder kent hij nog wat sissende en trillende geluiden.
De broedtijd is een beetje
afhankelijk van het leefgebied en varieert van midden
mei tot midden juni. Er is slechts één broedsel per
jaar. Als leefomgeving komen vele variaties om de hoek
kijken: diverse cultuurlandschappen met ouder
bomenbestand, olijfboomgaarden, wijnbergen, oude
heggenlandschappen, maar ook tuinen en parken in de
steden komen in aanmerking. Naast de veelheid aan
biotopen komt ook een veelheid aan nestgelegenheid aan
bod. Het mannetje bepaalt de broedplaats en dat kan een
holle boom zijn, maar ook een rotsholte Ook nissen in
gebouwen komen in aanmerking. Ze leggen tot maximaal zes
eieren die ± 28 dagen bebroed worden. Het vrouwtje
blijft tot ongeveer de 18e dag op het nest
bij de jongen om ze warm te houden en te voeren. Het
mannetje voert het voedsel aan. Daarna gaat het vrouwtje
zelf mee op jacht om het kroost te verzorgen. Met 27 /
28 dagen verlaten de jongen het nest en ze zijn met 33 /
34 dagen volledig vliegvlug. Een week later zijn ze in
staat om zelf de eerste prooi te pakken. Tot ongeveer 60
dagen worden ze door de ouders nog wel met voedsel
ondersteund, maar daarna moeten ze het helemaal zelf
doen. Als voedsel komt zo ongeveer alles aan bod wat
niet te groot is: grotere insecten, spinnen,
regenwormen, slakken, kleine vogeltjes, muizen en
kikkers. De laatste worden in stukjes gescheurd en
vanuit de klauw opgepeuzeld.
Het houden en
kweken in gevangenschap
Ook hier wordt aangegeven dat ze jaarrond in een open volière kunnen verblijven mits er voldoende stevige takken, stammen en groenblijvende coniferen in staan, die als schuilplaats kunnen dienen. De vogels maken zich overdag zo onzichtbaar als maar mogelijk is.
Als ik dit afzet tegen het gegeven dat de vogels zich tot trekvogels hebben ontwikkeld en de winter in warmere streken doorbrengen, dan lijkt het mij op z’n minst ideaal dat ze een vorstvrij nachthok ter beschikking hebben.
Verder kunnen ook bij deze vogels parkietenblokken uitstekend dienst doen, terwijl ook kisten en diepere bloemenmandjes gebruikt kunnen worden. In gevangenschap komen ook grotere voederinsecten en meelwormen, naast muizen en eendagskuikens, in aanmerking.
Bij een goede verzorging en een
harmoniërend paar zullen de jongen probleemloos groot
gebracht kunnen worden. Deze uiltjes moeten geringd
worden met
Voor het vorstvrij nachthok ben ik
even te rade gegaan bij de bekende uilenkweker in onze
vereniging: Jos Savelkouls. Hij geeft ook aan dat deze
vogels gewoon buiten kunnen overwinteren. Jos’ volières
kennende weet ik dat zijn vogels aan de
buitentemperatuur zijn overgeleverd, maar ze zitten wel
goede beschut.
De A-status (Regeling
Administratie)
wil zeggen dat er een registratie moet worden
bijgehouden van levende, in gevangenschap, gefokte en
beschermde vogels. De volgende richtlijn, uit een COM
nieuwsbrief,
kunt u zelf nakijken of u kunt te rade gaan bij
een van onze leden.
Kijk
voor de volledige
Regeling Administratie bezit en handel in beschermde
dier- en
plantensoorten
op: www.minlnv.nl/loket.
Klik vervolgens op ‘Vergunning en ontheffing’,
‘CITES’,
‘Wet- en regelgeving’ en op ‘Nationaal’. Heeft u nog
vragen dan kunt u contact
opnemen
met het CITES-bureau.






