



VIJF
VOOR
TWAALF
door
Lou Megens
Wat is dat toch, die fascinatie
voor vogels, die welhaast ontembare bezetenheid waarmee
deze hobby zich van je meester maakt? Waarschijnlijk is
het een combinatie van factoren, waaronder bewondering
voor de vliegkunst zeker een rol speelt. Wist u trouwens
dat de vliegkunst nog niet zo oud is? De eerste
gewervelde dieren die vanuit het water aan land kwamen,
schat men 400 miljoen jaar oud. Het vermogen tot vliegen
echter is slechts 150 miljoen jaar oud! Het allereerste
bewijs van een veer (fossiel) vond men in
Hoe zal onze hobby “het houden en
kweken van Europese vogels” zich in de (nabije) toekomst
ontwikkelen? Vaak is het al herhaald, meerdere keren
zijn er oproepen gedaan. De roep om kweekverslagen over
het houden en verzorgen van Europese vogels was luider
dan ooit tevoren en ook meer dan ooit noodzakelijk. Dit
in verband met verdere invulling van de Flora- en
Faunawet én de Gezondheids- en Welzijnswet van dieren
(COM Nederland + Commissie wetgeving).
Het is klaarblijkelijk een
behoorlijke barrière om een verslag te schrijven. Toch
is dit noodzakelijk om niet alleen ons als liefhebbers
(soms) te overtuigen dat de Europese vogels wel degelijk
gekweekt kunnen worden, maar vooral om anderen daarvan
te overtuigen. Het zou toch verschrikkelijk jammer zijn,
als de met veel moeite verkregen rechten weer zouden
worden afgenomen! Mijn grote hobby, het houden en kweken
van Europese insectenetende vogels, zou daarmee nagenoeg
om zeep worden geholpen. In de loop der jaren heb ik
meerdere artikelen geschreven en altijd een positieve
respons ontvangen. Ook is daarmee aangetoond dat het
kweken van deze vogels zeer wel mogelijk is. In de
achter ons liggende jaren is er ook een gewenningsproces
opgetreden bij het publiek. Wat tot voor enkele jaren
geleden nog als een onhaalbare kweek werd afgedaan, is
nu gemeengoed geworden. Kijk eens naar de kweeksuccessen
met bijvoorbeeld de kerkuil! Het is leerzaam om vogels
te houden en te kweken, het opent je blik en de
verstandhouding met de natuur. In deze jachtige
maatschappij is het een niet te onderschatten antistress
bezigheid. Ik laat nu een aantal insecteneters de revue
passeren.
Ik was erg blij met mijn eerste
kweek met de
witte kwikstaart,
maar wie kijkt er nu nog van op als deze vogels gekweekt
worden? Het blijft leuk en leerzaam om ervaringen van
anderen te lezen, maar het kweken van deze vogels is
gelukkig een algemeen geaccepteerd gemeengoed geworden.
Hoe meer we kweken, hoe beter de vogels gedomesticeerd
worden en hoe gemakkelijker het ons afgaat. Omdat de
witte kwikstaart een algemeen voorkomende vogel is,
wordt er niet echt op gelet. Dat is jammer, want hij is
een lust voor het oog. In zijn doen en laten doet de
kwikstaart denken aan de steltlopertjes, die met drukke
pasjes op zoek zijn naar insecten.
Anders is het met de
veldleeuwerik,
die in de Nederlandse natuur nagenoeg verdwenen is, maar
als cultuurvogel het erg goed blijkt te doen. De vogel
kweekt gemakkelijk en produceert meerdere legsels. Er
zijn zelfs al bruine en pastel mutanten gekweekt. De
meeste mensen hebben de vogel nog nooit gezien, laat
staan van dichtbij, en ze herkennen de veldleeuwerik ook
niet als hij hoog in de lucht al vliegend kwinkeleert.
De reacties variëren dan van “een saaie bruine vogel”
tot “wat een mooie vogel met die grote ronde ogen!” De
veldleeuwerik is een echte heraut van de lente. Als een
van de eerste laat hij zijn lofzang in het voorjaar
horen.
Weinig gekweekte vogels die
frequent in de natuur voorkomen zijn er ook. Denk maar
eens aan de
roodborst.
Iedereen kent hem maar hij wordt zelden gekweekt.
Het ontbreken van geslachtsonderscheid alsmede het
agressieve karakter zijn waarschijnlijk debet hieraan.
Toch is de roodborst met de nodige aandacht goed te
kweken. Ik deed dat al in een kleine kweekvlucht van
90x130x180 cm., zonder “groene” aankleding. De eerste
(bruine) mutanten van de roodborst kweekte Louis
Gonnissen al. De roodborst kan erg toegankelijk zijn en
zelfs in de volière tam worden. Het is beslist geen
uitzondering dat de vogel de meelwormen uit de hand komt
halen!
Een spektakelmaker, de
boomklever,
doet het wel heel goed als cultuurvogel. Al jaren kweek
ik deze vogel met evenveel plezier als in de
pioniersdagen. Zijn levendige verschijning, prettige
karakter en strakke gestroomlijnde uiterlijk maken de
vogel tot een gewilde cultuurvogel. Het
geslachtsonderscheid tussen man en pop is (met enige
ervaring) goed te zien. De boomklever brengt slechts één
broedsel per jaar groot, maar start vroeg in het jaar
(april), zodat we lang plezier van de jongen kunnen
hebben. Het geluid dat wordt voortgebracht is prettig om
te horen, de roep naar elkaar klinkt een beetje als “twat
twat”. Ik krijg altijd het gevoel dat de vogels naar mij
roepen! De klevers vinden zaden of noten een grote
traktatie. Ze klemmen die in een spleet vast en hameren
deze vervolgens open om de begeerde lekkernij op te
peuzelen.
Met de
blauwborst
ging het mij minder goed af. Door allerlei
omstandigheden kreeg ik in het verleden geen jongen op
stok, maar andere kwekers lukte dat wel. Het is nu niet
direct een vogel die in grote aantallen wordt gekweekt,
maar de resultaten zijn zeker bemoedigend. Als de
blauwborst geen cultuurvogel was geworden, zou hij
duidelijk minder aandacht hebben gekregen. Het is een
weldaad voor oog en oor om dit juweeltje van dichtbij te
aanschouwen en dagelijks te luisteren naar zijn
parelende, heldere, gevarieerde zang.
Minder beroemd om zijn zang, maar
des te meer om zijn prachtige balts en fraaie uiterlijk
is de
grote gele
kwikstaart. Meerdere liefhebbers kweekten deze
vogel reeds en mij lukte het dit jaar ook. Om de diep
strogele kleur te krijgen is het wenselijk om kleurstof
aan het voer toe te voegen. Het is een waterminnende
vogel, die elegant door de volière loopt met zijn altijd
op en neer bewegende staart. Als je de oudere
vogelboeken erop na slaat zie je dat deze vogel zo’n
honderd jaar geleden een zeldzame verschijning was in
Nederland. Nu is hij al lang geen rariteit meer, zelfs
niet als cultuurvogel.
Zeer algemeen voorkomende vogels
zoals de
pimpelmees
zijn ook met de nodige aandacht te kweken. Het zijn
kleine acrobaten, die met een nooit aflatende ijver de
volière onderzoeken naar eetbare en interessante zaken.
Let op met levende planten en struiken, die worden nogal
eens ontdaan van knoppen! Ook hier is het nodig om
kleurstof aan het voer toe te voegen om de mooie
diepgele en blauwe kleur te verkrijgen. Het
“blauwmeesje” laat zich de kaas niet van het brood eten
en staat zijn mannetje. Ook kunnen de vogels behoorlijk
“schelden” als iets hen niet bevalt.
Een andere acrobaat is de
staartmees.
Het zijn mooie beweeglijke wattenbolletjes, die door de
volière buitelen als kleine ekstertjes, balancerend met
hun lange staart. Een staartmees kweken is uitermate
moeilijk en het is mij nog niet gelukt, maar ik blijf
het proberen! Ik weet van andere kwekers dat het
mogelijk moet zijn.
De
gekraagde
roodstaart laat een wat sinister uiterlijk zien.
Het is ook een wat minder bekende vogel bij het grote
publiek. Hij wordt regelmatig gekweekt en heeft
prachtige blauwe eieren, wat bijzonder is voor een
holenbroeder. De eitjes lijken sprekend op die van de
heggenmus (blauwpieper
in de volksmond genoemd). De verzorging geeft verder
geen problemen en de vogel kan leuk zingen. Hij is ook
een goede imitator. Aardig is dat de vogel tijdens het
landen (als hij al zit) zijn staart zeer snel op en neer
laat trillen, alsof er een metalen veertje in zit.
De
zwartkop
is een algemeen bekende vogel, zowel als cultuurvogel
als vrije natuurvogel. We zien hem ook steeds vaker als
wintergast; hij kan klaarblijkelijk goed overleven in
onze huidige zachte winters. Het is een echte
insecteneter, die in het najaar overschakelt op bessen.
Met name de vlier is erg populair. Zijn zang is
onovertroffen mooi, hoewel er tussen diverse vogels
grote verschillen voorkomen. Van de vroeger vastgestelde
agressiviteit tussen mannen en poppen hoor je
tegenwoordig niets meer. Ik zie dit ook niet terug en
laat de vogels het hele jaar door bij elkaar zitten.
Alweer een bewijs van verder acclimatiseren als
cultuurvogel?
Ik hoop met dit
artikel een kleine bijdrage te hebben geleverd aan de
acceptatie van de insectenetende Europese vogel als
cultuurvogel. Het houden, maar meer nog het kweken
staat weliswaar nog in de kinderschoenen, maar
het eerste stadium – dat van ontkenning – is overwonnen!
Iets wat tot voor een aantal jaren geleden nog
onmogelijk leek.
En is het niet zo
dat je - om tot een succesvolle kweek te komen - ook de
achtergrond van de vogel moet kennen? Immers, indien de
biotoop van de cultuurvogel niet voldoet en de
omstandigheden en voeding niet op orde zijn, zal de
vogel niet gaan broeden! Ook hier wordt een beroep
gedaan op zelfstudie en verdieping in de natuur,
waardoor automatisch het respect groeit voor alles wat
leeft en groeit. En daarmee is de kweker van Europese
cultuurvogels vaak meer begaan met de natuur dan vele
anderen!






