DE  ZWARTE  KERKUIL  (Tyto tenebricosa)                         door Louis Gonnissen

                              

Toen ik voor de eerste keer hoorde over een gekweekte zwarte kerkuil dacht ik spontaan aan de Zwarte Kerkuil (Tyto tenebricosa) uit de tropische regenwouden van Nieuw-Guinea en Australië. Geen andere zwarte kerkuil was mij bekend. Maar toen ik de eerste zwarte kerkuil met eigen ogen zag, wist ik dat die niets te maken had met de tropische zwarte kerkuil uit de regenwouden.

De eigenaar, Robert Steigrad, vertelde mij dat de zwarte kerkuil uit Tsjechië afkomstig was. Ik prentte me de kleur van die zwarte kerkuil diep in het geheugen.

Op de Gouden Ring Show 2005 in Ieper ontmoette ik een tweede zwarte kerkuil. Met stelligheid werd beweerd dat deze zwarte kerkuilen in Rusland in de natuur voorkomen. Toen begon mijn zoektocht door de literatuur, maar nergens vond ik die zwarte kerkuilen vermeld. Ik correspondeerde er ook over met Peter Otten, voorzitter van B.E.C. Die verwees mij óók naar Rusland als het land van oorsprong.

Dan zou de populatie kerkuilen in het wit beginnen in Engeland onder de wetenschappelijke naam Tyto alba alba. Deze kerkuilen zijn volledig wit aan buik en borst, maar op de rugzijde goudgeelbruin met wat lichtgrijs afgewisseld. Bij ons op het vasteland komen deze uilen ook voor met daarnaast ook een meer gekleurde vorm, waarvan borst en buik geelbruin zijn en de rugzijde grijsblauw. Deze vorm draagt de wetenschappelijke benaming Tyto alba guttata.

Bij ons komen de vormen alba en guttata gemengd voor, maar hoe verder naar het oosten hoe meer de geelbruine vorm overheerst over de witte. De guttata vorm zou steeds talrijker worden en donkerder naar het oosten toe. Een stap verder naar het oosten in Rusland zou dan een populatie zwarte kerkuilen voorkomen. Dat zou kunnen, al bezit ik hierover geen documentatie, want elke groep vogels begint goed gecamoufleerd aardkleurig bruin om te eindigen in zwart.   

Dr. Zootechnie Giorgio de Baseggio heeft in 1975 in de evolutie de wet van het melanisme ontdekt en gepubliceerd: “Hoe meer een soort uitbreiding van eumelanine zich vertoont in het verenkleed hoe meer ze afkomstig is uit een recente evolutie”. Anders gezegd: zwart gekleurde vogels zijn later ontstaan in de evolutie. Wie gingen hen dan vóór? Hierop antwoordt Giorgio de Baseggio in zijn theorie: “Hoe meer een soort een onopvallend verenkleed vertoont – grijs bruinachtig – en sterk gestreept is zonder lichte vlekken, hoe minder ze geëvolueerd is.” Anders gezegd: de grijsbruin gekleurde vogels, in camouflagekleur, staan aan het begin van de evolutie. Iedereen kan hiervan voorbeelden tonen. Zo ligt aan het begin van het genus Spinus de bruine Dennensijs (Spinus pinus), die later in de evolutie opgevolgd wordt door de Zwarte Sijs (Spinus atratus). Zo zou de zwarte kerkuil de opvolger zijn van de witte kerkuil (Tyto alba) met bruine rug, en van de bruine kerkuil (Tyto guttata) met diep geelbruine onderdelen en opvallend grijsblauw getekende rugzijde. Zo is de zwarte kerkuil het eindproduct van de evolutie van het genus Tyto dat leeft in Rusland. De krachten van de evolutie zijn mutatie en selectie. Die mutaties die passen in de biotoop blijven, de andere worden weg geselecteerd. 

Maar ik bezit geen enkel werk waarin die zwarte kerkuil vernoemd wordt als natuurlijke soort of ondersoort. Zou het dan toch een mutatie zijn, die ontstaan is in beschermd milieu en die als zodanig in de wilde natuur niet voorkomt? Wie bezit documentatie daarover? We weten ook al dat de kruisingen van de zwarte kerkuil met de twee genoemde kerkuilen, alba en guttata, allemaal vruchtbaar zijn. De zwarte kerkuil uit Rusland kan maar een ondersoort zijn indien hij een populatie vormt ergens in het oosten. 

Ik denk dat we nóg iets meer weten, dank zij ook de kweekresultaten van de voorzitter van B.E.C., Peter Otten. Ik heb een uitvoerig kweekrelaas gekregen van zijn kweek met zwarte kerkuilen. Alles schijnt er op te wijzen, dat er een intermediaire* overerving van de zwarte kleur in het spel is. Om te weten hoe zulke vererving werkt, kijken we eerst even naar proeven met planten. 

Niet altijd is er sprake van dominant en recessief! Soms bestaat er een tussenvorm van twee ouderlijke kenmerken die worden doorgegeven. Indien men een witbloeiende Japanse wonderbloem (Mirabilis jalapa) bestuift met het stuifmeel van een roodbloeiende wonderbloem, dan bekomt men in de eerste generatie allemaal roosbloeiende wonderbloemen. Hier verschijnt dus een tussenkleur tussen wit en rood. Die roosbloeiende wonderbloemen vormen de eerste generatie of filiatie, F1-generatie genoemd.

Door zelfbestuiving geven al de individuen van deze F1-generatie zaden, waarvan de planten in de F2-generatie voor ¼ witte bloemen dragen, voor ¼ rode en voor 2/4 roze bloemen.

Bij de F3-generatie zien we dat alle witte bloemen zaden geven voor witte bloemen, alle rode bloemen voor rode, maar dat de roze bloemen weer zaden geven voor ¼ witte, voor ¼ rode en voor 2/4 roze bloemen. 

Volgen we nu het verhaal van de stamopbouw voor zwarte kerkuilen bij onze voorzitter Peter Otten. Hij kocht man en vrouw kerkuil guttata, maar die waren allebei aan de donkere kant. Ze waren donkerder van kleur dan gewone guttata’s. Uit dit koppel fokte Peter zo te zien normale guttata’s en één zwarte, die een man bleek te zijn. De oude aangekochte donkere guttata man paarde Peter aan zijn enige guttata dochter. Hij zag aan die kerkuil, het vrouwtje, helemaal niets aparts. Het koppel produceerde twee zwarte en een paar tamelijk donkere, overigens normaal uitziende, andere jongen. De moeder werd gepaard aan de zwarte zoon. Zij produceerden samen twee zwarte en enkele normaal uitziende guttata jongen. Uit dit verhaal leid ik af dat we te doen hebben met een intermediaire* overerving. Vergelijk donkere guttatajongen maar met de roze Japanse wonderbloemen. De vraag blijft open: hóe donker moeten die guttata jongen zijn om - zoals de roosbloeiende Japanse wonderbloemen – intermediair* te vererven? Misschien is het mogelijk in de toekomst die donkere jongen, waaruit zwart kan komen, door intermediaire overerving duidelijker te omschrijven. Een kweker die zwarte kerkuilen kweekt met de vorm alba krijgt dezelfde intermediaire wijze van overerving.  

Deze zwarte roofridder van de nacht heeft het mij erg moeilijk gemaakt alvorens wat van zijn identiteit los te laten, omdat ik geen documentatie vond die de zwarte populatie kerkuilen uit Rusland beschrijft. Een ander zwak punt is dat de donkere guttata’s moeilijk te onderscheiden zijn van de gewone. Toch hoop ik dat deze bijdrage kwekers geholpen heeft. De ondervinding zal zeker nog meer leren! 

*  De huidige biologen noemen intermediair tegenwoordig half dominant of co-dominant. De term intermediair stamt   

    nog uit de tijd van de ontdekker Mendel en werd tot voor kort nog algemeen gebruikt in studieboeken.